Recensie

Recensie Boeken

Ze kwam naar Nederland om verpleegster te worden en werd uitgescholden

Alfred Schaffer In zijn nieuwe bundel Wie was ik (●●●●) probeert dichter Alfred Schaffer tot zijn afkomst door te dringen, door zijn Arubaanse moeder een stem te geven.

Foto Getty Images

‘Wie ben ik?’ is de gangbare vraag voor wie zich aan een zelfonderzoek onderwerpt. Met een kleine variatie suggereert Alfred Schaffer met Wie was ik dat zelfkennis begint bij het kijken naar het verleden – een veronderstelling die in het licht van het gevecht tegen racisme ook op het niveau van de Nederlandse samenleving relevant is.

In zijn nieuwe bundel probeert Alfred Schaffer (1973) tot zijn afkomst door te dringen, door zijn Arubaanse moeder een stem te geven en met haar in gesprek te gaan. Zijn Nederlandse vader komt amper aan bod, maar valt op als ‘witte schaduw’, die contrasteert met zijn moeder, in het openingsgedicht:

ik kan niet slapen ijzig
nachtlicht houdt mij wakker.

klim ik uit bed loop in het pikkedonker naar de keuken.
beer onder mijn arm geklemd.

het schijnsel en twee schaduwen achter het aanrecht.

een witte schaduw en een zwarte.
bezig aan de afwas.

Bestaat een ‘witte schaduw’ wel, vroeg ik me af. En pas in tweede instantie: en hoe zit dat met een ‘zwarte schaduw’? Een dichter kan natuurlijk alles voor het geestesoog van de lezer doen verschijnen, maar dit is meer dan dichterlijke vrijheid: ik word me erdoor bewust dat ik minder snel geneigd ben een witte als schaduw te accepteren dan een zwarte.

De dichter confronteert mij met mijn beperkte blik. Hij laat zien dat het openen van perspectieven, het morrelen aan vaste denkpatronen en vooroordelen mogelijk is met omtrekkende bewegingen en precies gekozen woorden:

lieve jongen ben je wakker
schrikt de witte.

kom eens hier kun je alweer niet slapen
spreekt de zwarte.

ik droomde dat ik jullie in mijn eentje moest begraven
zeg ik niet terwijl ik in mijn ogen wrijf.

klopt toch ook we zijn morsdood
er is niets aan de hand

ga maar weer lekker slapen.

Deze ouders zijn morsdood. En spreken. Mogelijk gaat het hier om een droom, een herinnering of een schrikbeeld. In ieder geval kondigt de dichter hiermee vanaf de eerste bladzijde aan dat de deur naar een gelaagde werkelijkheid wijd open staat. Het gedicht toont daarnaast hoe onmogelijk de rol van ouders soms is. Zij willen hun kinderen almaar geruststellen, al weten ze dat er niets te sussen valt.

Masker

In Wie was ik onderzoekt Schaffer wat zijn afkomst betekent voor wie hij is. „Dichten ‘over’ iets? Al die heuse onderwerpen, ‘afkomst’, ‘ras’, ‘klasse’, ‘moederschap’ – wat een onmacht. En, een ‘eerlijke’ bundel? Eerlijkheid is toch niet relevant in de kunst? Het voorwendsel, de stijl, het spel, desnoods het natuurgetrouwe, ja, díe doen ertoe, maar wie denkt eerlijk te kunnen zijn, heeft de taalfilosofie overgeslagen.” Zo bevraagt Schaffer zijn poëtica in de laatste Hans Groenewegenlezing onder de titel Op de rug gezien. Het evenwichtsnummer van de dichter.

In dit essay laat Schaffer onder meer zien dat een jonge generatie dichters minder geïnteresseerd is zich iets van bovenstaande, conventionele bedenkingen aan te trekken. Ze breken daarbij met het idee dat de maker niet per se samenvalt met wat hij of zij schrijft. Ze eisen een ‘ik’ op met een activistische slagkracht.

Mogelijk heeft het essay de weg bereid voor Schaffer om het masker van het lyrisch ik af te werpen, zijn eigen bedenkingen opzij te zetten en zich te presenteren als wie hij is: zoon van een Arubaanse moeder en een Nederlandse vader.

Maar valt iemand wel samen met zijn afkomst? Wie leer ik kennen in Schaffers poging zijn moeder in taal tot leven te wekken? ‘Impromptu’ is een lang gedicht dat in de bundel steeds wordt opgevoerd als onderbreking. Schaffer lijkt een gêne te moeten overwinnen om een overledene ten tonele te voeren. Hij heeft een kunstgreep nodig – die humoristisch werkt – waarin hij een podcast-aflevering maakt met zijn moeder:

okay u speelt een mens die zijn dode omgeving leven in wil blazen.
in feite zijn bloedeigen moeder. in de vorm van
een praatje, een podcast die ú presenteert, denk aan

het instinctieve geheugen van trekvogels, aan de vleugelslag
die twee tegengestelde bewegingen verenigt of denk aan
de wiskunde die waar is en toch niet bestaat – ik heb dit ook

niet verzonnen, bijkomend probleem: uw moeder is een storing
het sap van een bijl, een kletsnatte foto. niettemin vindt het plaats
dit gesprek. en u daar, u speelt die moeder. begin maar.

Het duurt even voordat de stem van de moeder vloeiend en ongestoord klinkt. Wanneer zij haar toon eenmaal gevonden heeft, vertelt ze beeldrijk over hoe ze als jonge vrouw naar Nederland kwam om leerling-verpleegster te worden, hoe ze werd uitgescholden. De beleefdheidsvorm wringt met de schokkende inhoud, onderstreept door de regelafbreking, waardoor ‘u’ extra opvalt: u/ mag mij niet verzorgen uw handen geven af uw handen geven af u/mag mij niet verzorgen uw handen geven af, blijf met uw gore poten/ van mij af zwarte hoer ga lekker bomen klimmen in de rimboe.

Verkeersinformatie

De stijl van de moederstem is bloemrijk: ‘… ’s nachts stond ik een keer op de uitkijk/ bij punta basora, ik was zo onmetelijk het water een dansvloer/ glinsterend zwart met de maan als een waaklamp erboven, ik dook …’ en wanneer het Schaffer te veel wordt, onderbreekt hij haar – en zichzelf: ‘gelooft u dit zelf – wacht/ er is als het goed is verkeersinformatie.’

De bundel is een compositie van onderbrekingen. Diverse soorten gedichten wisselen elkaar af, en keren na een onderbreking terug, waardoor het lezen een soort zappen is tussen tijden en situaties. Deze onderbroken cycli hebben gemeen dat ze een contrast bieden tussen vorm en inhoud. Zo zijn er zijn spamboxberichten die er formeel uitzien, maar waarin herhaalde, wanhopige pogingen worden gedaan om geld afhandig te maken; er zijn de lange podcastgesprekken tussen moeder en zoon die bestaan uit strofen van drie regels, kalm van aanzien maar onrustig van inhoud. En er is een brokkelig ogend gedicht dat bestaat uit lettergrepen, als van een kind dat leert lezen, waarbij enkele lettergrepen steeds tegen het eind van de regel staan.

wekt
me door
te du
wen te
gen mijn
schou
der

kom gaan
we kij
ken waar ze
zijn

De woorden staan er als tegen een muur gedrukt, en geven een kinderwereld weer, waarvan je zou willen dat die juist open is en vol mogelijkheden. De dichter toont hiermee zijn ambitie om structuren en verwachtingspatronen van binnenuit te bevragen en te bevechten.

Er is, behalve in de titels (volledig in kapitalen), geen hoofdletter te bekennen in de bundel, om aan te geven dat een hiërarchie hier niet op zijn plaats is. Iedereen is van belang, elke letter telt.

Het verleden wordt langzaam maar zeker ontrafeld, zonder dat er iets vast komt te staan. Door de ontrafeling ontstaat meerduidigheid, een gebied waarin stemmen losgezongen raken van lichaam, verleden, afkomst – en toch samenhangend klinken.

Alfred Schaffer belichaamt net zo gemakkelijk zichzelf als zijn moeder, zijn eigen en haar twijfels, dromen en visioenen. Wie ik was biedt geen eenduidige antwoorden, maar eist bestaansrecht op voor het onkenbare, voor het drassige gebied van het niet-weten, waar het leven op drijft.