Recensie

Recensie Boeken

Een briljante, diep ontroerende roman over verlies (●●●●●)

Wittgensteins minnares Het cultboek Wittgensteins minnares is eindelijk in het Nederlands vertaald. Deze briljante roman gaat over Kate, een vrouw van middelbare leeftijd, die gefascineerd is door de curieuze voetnoten in de geschiedenis.

EPA

‘Op een keer gumde Robert Rauschenberg een tekening van Willem de Kooning uit en noemde het toen Uitgegumde De Kooningtekening.’

Zomaar een van de vele feitjes die de revue passeren in David Marksons briljante roman Wittgensteins minnares. We krijgen er geen uitleg over verder, geen interpretatie van. De gedachtestroom van de protagoniste is vaak nog voor een zin is afgelopen alweer vooruitgesneld naar een volgend onderwerp.

Die protagoniste is Kate, een vrouw van middelbare leeftijd, voormalig kunstschilder. Ooit verloor ze haar zoontje. Ze woont in een huis aan een strand en legt met een typemachine haar gedachten vast. Die bestaan vooral uit anekdotes over historische personen – musici, kunstenaars, filosofen, schrijvers – maar wat bij Kate is blijven hangen is niet hun levenswerk, maar de curieuze voetnoten in hun biografieën. Hoe de kat van Rembrandt heette. Hoe Brahms altijd snoepjes bij zich had om aan kinderen uit te delen. Hoe dichter-classicus A.E. Housman weigerde Ludwig Wittgenstein binnen te laten toen die een keer nodig naar de wc moest.

Markson (1927-2010) publiceerde deze meditatie over het mens-zijn in 1988, waarna er (terecht) een fanatieke fangemeenschap rondom de roman ontstond. Dit voorjaar verscheen de Nederlandse vertaling, door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, en die is fantastisch. De ingehouden geestige, soms wat plompe, vaak ook aan manie grenzende vertelstem die Markson zijn vertelster meegaf, klinkt precies zo helder en vanzelfsprekend in het Nederlands.

Het lezen van Wittgensteins minnares is een beetje alsof je op Wikipedia een naam intypt, op de betreffende pagina weer verschillende linkjes aanklikt, en daar wéér, en zo verder – en ondertussen al die pagina’s open laat staan, waarbij zich al klikkend steeds meer dwarsverbanden openbaren. Zo spint Kate een grotesk web van associatieve connecties tussen de meest uiteenlopende onderwerpen. Wie trouwens werkelijk op zoek gaat naar bronmateriaal komt er algauw achter dat die samenhang minder arbitrair is dan de tekst doet vermoeden. Aan iedere historische of literaire verwijzing kleeft een verhaal dat wel degelijk direct verband houdt met de thematiek van deze roman, en de leeservaring verdiept.

Onbeschreven blad

Laat ik de ‘Uitgegumde De Kooningtekening’ (UDK) als voorbeeld nemen. Het feit klopt: Rauschenberg is daadwerkelijk twee maanden bezig geweest een tekening van de door hem bewonderde kunstschilder uit te gummen. Het resulteerde in een leeg vel papier, ingelijst, voorzien van een naamplaatje met de tekst ‘ERASED de KOONING DRAWING’. Rauschenberg bracht het werk onder in zijn serie White Paintings, wit geschilderde doeken, die het onbeschreven blad verbeeldden; de status quo waar alles nog te gebeuren staat, mogelijk is. Het zijn niet-beelden (‘no-images’), die het concept ‘Niets’ ter discussie stellen, een begrip waar ook denkers als Nietzsche en Heidegger hun tanden op stuk beten. In die context lijkt UDK iets te willen zeggen over het terugkeren naar die beginstaat – naar niets dus. Het verlangen daarnaar resoneert in een passage waarin Kate beschrijft hoe het strand onder sneeuw bedolven raakt, ‘waardoor het bijna leek alsof je zelf de hele wereld opnieuw zou kunnen schilderen, en precies zoals je maar wilde.’

Rauschenberg koos natuurlijk niet voor niets een tekening van De Kooning om uit te gummen. Het is erg, dat die tekening er niet meer is. Door het naamplaatje wordt de kijker gedwongen zich op het doek een verloren werk van De Kooning voor te stellen, wat natuurlijk niet kan, en toch: op een bepaalde manier kijk je bij UDK, juist door die onmogelijkheid, misschien wel intensiever dan het geval zou zijn geweest bij een niet-uitgegumde De Koo-ningtekening. Het werk is als een ruïne; niet alleen verwijzend naar het ding dat het was, maar ook naar het verloren gaan ervan. UDK confronteert de toeschouwer met het afwezige, het verlorene. Het roept een gevoel op dat zich misschien nog het best laat omschrijven als rouw.

In Wittgensteins minnares heeft Markson iets nogal fundamenteels uitgegumd: de complete mensheid. En alle dieren ook. Op Kate na dus. Continu vraag je je af of dit ‘waar’ is: moeten we het feit dat Kate alleen op de wereld is zien als een objectief gegeven binnen deze romanwerkelijkheid, of is het Kates beleving van een ultiem eenzame situatie? Een antwoord op die vraag valt in de tekst niet aan te wijzen, we bezien de wereld immers vanuit Kates perspectief. (Wittgenstein zou zeggen: ‘Aus dem Bild allein ist nicht zu erkennen, ob es wahr oder falsch ist.’) Hoe dan ook, de vraag zelf is fundamenteel in Wittgensteins minnares: ‘wat weten wij allemaal eigenlijk echt?’

Het zal, gezien de titel, niet verbazen dat het boek vaak aan de hand van Wittgensteins gedachtegoed geduid is. David Foster Wallace deed dat in zijn sterke essay The Empty Plenum: David Markson’s Wittgenstein’s Mistress, en ook Lieke Marsman legt de roman in haar nawoord bij deze editie langs de lat van Wittgenstein I en II. Inderdaad: de filosoof is alomtegenwoordig in de tekst. Zo spreekt Kate ergens over Guy de Maupassant, ‘die elke dag de lunch gebruikte in de Eiffeltoren. Nou ja, dat was de enige plek in Parijs waarvandaan hij er niet naar hoefde te kijken, daar ging het om.’

Tweedehands kennis

Dat je vanuit de Eiffeltoren niet naar de Eiffeltoren kunt kijken, is in feite waar Wittgenstein op doelde met de beroemde slotconclusie van zijn Tractatus: ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.’ Zoals je onmogelijk uitspraken kunt doen over het uiterlijk van de Eiffeltoren wanneer je hem enkel van binnenuit kent, zo kunnen wij in wezen niets steekhoudends over ‘de zin van het leven’ zeggen, aangezien we het leven per definitie niet vanuit een extern perspectief kunnen beschouwen. Ook in de rigiditeit waarmee Kate haar eigen formuleringen steeds bekritiseert, corrigeert, klinkt Wittgenstein door, voor wie slordig taalgebruik gelijkstond aan ‘de beheksing van het verstand’.

Maar minstens zo opzichtig speelt Markson met de theorieën van denkers als Nietzsche, Pascal, Kierkegaard, Heidegger, Derrida, Barthes – al is het aan de lezer die uit de tekst te destilleren, want de verwijzingen zijn zonder uitzondering impliciet. Zoals ik al zei: Kate zelf richt zich op triviale anekdotes. Ze maakt geen woord vuil aan de denkbeelden van Nietzsche (over wie ze enkel weet te vertellen dat hij eens in huilen uitbarstte toen iemand een paard sloeg) of Heidegger (goed, eentje dan, ‘Dasein’, maar daarvan weet Kate niet wat het betekent, want ze kan geen Duits), nee, de ideeën zijn vervat in de manier waarop Kate formuleert.

Meermaals vraagt ze zich af hoe ze aan haar kennis komt, aangezien ze zich niet kan herinneren die opgedaan te hebben: ‘Een groot deel van je bagage is kennelijk niet eens van jezelf.’ Die notie correspondeert met Heideggers ‘Uneigentlichkeit’ en ‘Verfallenheit’, of met wat Barthes ‘mythes’ noemde; concepten die gaan over tweedehands kennis, over de onbewuste paradigma’s die we als vanzelfsprekend beschouwen, en die oorspronkelijke, bewuste inzichten in de weg staan.

Kate heeft het vorige huis waarin ze woonde, iets verderop, per ongeluk afgebrand. Het hout dat niet in vlammen opging heeft ze intussen goeddeels gesloopt.

‘Nog steeds zie ik het verbrande huis ’s ochtends als ik over het strand wandel.

Nou ja, ik zie natuurlijk het verbrande huis niet, ik zie wat ervan overgebleven is.

Toch blijf je geneigd over een huis te denken als een huis, zelfs als er niet opvallend veel meer van over is.’

Ze ontmantelt hier niet alleen het huis, maar ook haar gebruik van het begrip ‘huis’, wat kan verwijzen naar Jacques Derrida, wiens voornaamste bezigheid bestond uit de ‘deconstructie’ van tekst. (Het woord ‘tekst’ moet dan breed worden opgevat: het gaat om ‘dat wat benoemd wordt’.) Derrida toonde zo aan dat tekst nooit rechtstreeks naar de werkelijkheid verwijst, maar altijd naar andere teksten. In dit geval: dat Kate dat wat nog over is van het huis nog steeds ‘huis’ noemt, komt enkel doordat ze er voorheen zo aan refereerde, niet omdat de overblijfselen ervan nog bijster veel met een huis te maken hebben. Volgens Derrida ontstaat betekenis in een onophoudelijke stroom van naar elkaar verwijzende teksten. Niet de werkelijkheid zelf, maar de teksten eróver, bepalen wat we waarnemen.

Brandstof van het denken

Iedere pagina in Wittgensteins minnares valt op die manier te ontleden. Ik haast me erbij te zeggen: dat hóéft niet! De roman laat zich prima lezen zonder kennis van de filosofie, sterker: zonder dat het überhaupt hoeft op te vallen dat hier voortdurend met metafysische betekenissystemen gegoocheld wordt. Ook zonder die referenties is duidelijk dat hier een vrouw aan het woord is voor wie de ratio en de taal – en daarmee: het creëren van betekenis – essentieel zijn om te overleven. De roman maakt voelbaar wat de mens ertoe drijft om systemen van betekenisgeving te construeren. Zo slaagt Markson erin om via Kate te tonen hoe de taal, het denken zelf, van brandstof wordt voorzien door gevoelens; door, zoals David Foster Wallace het verwoordt: ‘making heads throb heartlike’.

Het maakt Wittgensteins minnares, naast een erudiete krachttoer, tot een diep ontroerende roman. Waar Wallace betoogt dat Wittgensteins minnares in de eerste plaats een roman is over eenzaamheid, zou ikzelf het accent subtiel verschuiven en zeggen: het is een roman over verlies. Net als bij UDK is de hoofdrol hier weggelegd voor het afwezige, het uitgegumde, het onuitspreekbare; dat waarover Kate met alle macht zwijgt. De emotionele lading van Wittgensteins minnares zit hem in dat wat niet in de tekst kan worden aangewezen. Het zit hem in de toon, de verbetenheid waarmee Kate haar gedachten in woorden omzet, haar volharding in het zoeken naar verbanden, naar betekenis – ter bezwering van het ‘eindeloze niets’ dat haar omgeeft.

Er valt nog zoveel meer over Wittgensteins minnares te zeggen, zo ongelooflijk rijk is deze roman aan fascinerende gedachten – maar de kern ervan, die laat zich enkel ondergaan. Iets wat zich misschien nog het best laat illustreren met een van Kates anekdotes:

Iemand vroeg een keer aan Robert Schumann om een bepaald muziekstuk uit te leggen dat hij net had gespeeld op de piano.

Robert Schumann nam weer plaats achter de piano en speelde het muziekstuk nog een keer.