Nederland fonteinenland: ooit spoot hier de hoogste van Europa

De Buitengalerij Nederland is rijk aan beelden in de buitenruimte, weet Wim Pijbes. Deze keer: ons waterrijke land kent helaas geen grote fonteintraditie.

Snoekfontein, Gerarda Rueter (bronzen vissen) en Eric Nijhuis van Gelder (fontein), 1962 – 2006, Amsterdam.
Snoekfontein, Gerarda Rueter (bronzen vissen) en Eric Nijhuis van Gelder (fontein), 1962 – 2006, Amsterdam. Foto Cees Camel/Wikimedia Commons

Spuitende fonteinen staan voor vruchtbaarheid en zijn symbool van heil en geestelijk leven. Maar helaas kent ons welvarende en waterrijke land geen grote fonteintraditie, al spoot hier in de zeventiende eeuw wel ooit de hoogste fontein van Europa. Koning Stadhouder Willem III legde in het laaggelegen deel naast zijn nieuwe paleis Het Loo een Hollandse baroktuin aan, klein vergeleken met het Versailles van zijn rivaal Lodewijk XIV, maar met een formidabele fontein als onovertroffen middelpunt. Groter en hoger dan deze hoogspuiter van dertien meter, de Koningssprong, zou hier te lande niet meer gemaakt worden. Ik zou het overtollige grondwater bottelen en verkopen als koninklijk bronwater: Eau de Loo. Geheid een bestseller in de museumshop.

Pas vanaf het einde van de negentiende eeuw kwam er weer een aantal fraaie fonteinen bij, met bovendien een bijzondere overeenkomst: ze zijn allemaal te danken aan filantropen. Zo staat verscholen op de binnenplaats van het door Andrew Carnegie opgerichte Vredespaleis een prachtexemplaar: ijsberen en spuitende zeeleeuwen in geglazuurd terracotta.

En op het Amsterdamse Leidseplein spuiten twee vissen in de Snoekfontein, genoemd naar de danspedagoog en oprichter van het Scapino Ballet, Hans Snoek. Een veel kleinere en in onbruik geraakte fontein uit 1962 maakte hier in 2005 plaats voor de huidige, veel grotere fonteinbank die naar wens van de schenker een ontmoetingsplek moest worden, en volgens de wethouder de start van de verfraaiing van het Leidseplein. De twee bronzen vissen uit de oorspronkelijke fontein, ontworpen door Gerarda Rueter, spuwen een afgepast straaltje temidden van krachtige verticale jetfonteinen en uitbundige waterwaaiers.

Amsterdam kende ooit een rijke filantropische traditie en twee vooraanstaande vertegenwoordigers van de haute juiverie, Samuel Sarphati en Abraham Carel Wertheim, werden na hun dood herinnerd met een fontein. Zonder de vooruitstrevende visie van Sarphati zou Amsterdam nooit de stad zijn geworden die het nu is. Met bravoure en gevoel voor grandeur stuwde Sarphati het slaperige Amsterdam van zijn tijd op tot een waardige hoofdstad. Voor de armen stichtte hij een broodfabriek, voor de rijken het Amstelhotel.

De bankier, politicus en filantroop Abraham Carel Wertheim, bijgenaamd A.C., kennen we tegenwoordig vooral van het naar hem vernoemde park, het hier gelegen Auschwitz-monument en het rumoer rond het aanvankelijk hier gedachte Holocaust-monument van Daniel Libeskind. Het bescheiden parkje, een restant van het oudste wandelpark van de stad, heeft zijn stille karakter gelukkig kunnen behouden. Het is de stilte die weldoeners als Carnegie, Sarphati en Wertheim past. Het kletterende water herinnert ons aan de vruchtbare werken die zij ons nalieten. Het is, zoals verwoord op het randschrift van de Wertheimfontein: „Der armen hulp, der zwakken staf, der menschen vriend, een wekstem ten leven, den kunstenaar tot steun, den tragen tot spoorslag, door stad en land betreurd.”

Dit was de laatste aflevering van ‘De Buitengalerij’. Na de zomer begint een serie over parken en tuinen in Nederland door Wim Pijbes.