Opinie

Waarom vogels op mensen lijken

Michel Krielaars

In de twee meertjes van de Texelse Horspolder strijkt met veel kabaal een formatie lepelaars neer. De aalscholvers die er zwemmen schrikken en zetten een keel op. Ze krijgen bijval van honderden andere vogels, waarvan ik de namen niet ken. Het informatiebord bij het uitzichtpunt biedt hulp: in deze polder gaat het vooral om een gemengd koor van ganzen, graspiepers, blauwborsten, rietgorzen, bergeenden en kneus.

Een paar honderd meter verderop merk ik dat de mantel- en zilvermeeuwen tijdens de lockdown van de afgelopen maande moed hebben gevat om in het mensloze duinlandschap hun nesten te bouwen op slechts enkele meters van het pad dat naar de zee loopt. Krijsend vliegen ze om me heen om me te dwingen op mijn route te blijven. Opnieuw besef ik hoe weinig ik van hun belevingswereld af weet.

Terug op de boerderij waar ik logeer, lees ik Vogels als huisgenoten, de onlangs verschenen vertaling van Len Howards Birds as individuals (1953). Ik heb deze bijzondere vrouw leren kennen dankzij de roman Het vogelhuis van Eva Meijer. Hierin beschrijft ze hoe Howard in 1938 besloot om haar leven aan het gedrag van vogels te wijden door haar huis in Sussex met hen te delen. Vooral koolmezen gaven gehoor aan haar uitnodiging. In Vogels als huisgenoten lees ik over haar favorieten: Kaalkopje, Grijsje en de mooi zingende Jane. Kaalkopje is Jane’s derde echtgenoot. Behalve voor haar en hun jongen zorgt hij ook voor de eenzame Grijsje, die geen partner heeft. Na de vroege dood van Jane zal haar band met Kaalkopje zich net als in een Disneyfilm verdiepen.

De vogels van Howard verschillen in veel opzichten niet van mensen. Ze zijn aanhankelijk, snakken naar aandacht, zorg en liefde, en voelen zich verantwoordelijk voor hun soortgenoten. En net zoals veel andere stervelingen kiezen ze als het erop aan komt vooral voor zichzelf.

Een mooie passage in Howards boek is als ze een gemeenschappelijke taal met haar vogels ontwikkelt. Zo zegt ze op een dag tegen de bijzonder slimme koolmees Kronkel: ‘Geef me een kusje’, waarop deze met haar snavel Howards neus aanraakt. Als ze haar bevel herhaalt ‘kust’ Kronkel haar nogmaals. Vogelkusjes geeft Kronkel ook als ze honger heeft en ziet dat Howard kaas eet. Ze herhaalt haar kusjes dan driemaal.

Zo’n ‘vogeltaal’ kwam ik ook tegen in de geweldige roman De vogels (1957) van de Noor Tarjei Vesaas (1897-1970), een schrijver die vaak genoemd is als kandidaat voor de Nobelprijs voor Literatuur. Het verhaal speelt zich af in de verlaten Noorse bossen, waar de 37-jarige Matthis met zijn drie jaar oudere zus Hege woont. Matthis is nooit volwassen geworden en denkt als een kind. Bij alles wat hij meemaakt vraagt hij zich af waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Niets vindt hij zo fijn als erkenning te krijgen van meisjes. In de wereldliteratuur ken ik bijna niemand die zo eenzaam is als hij.

Op een dag raakt Matthis opgewonden door de trek van een houtsnip, die over hun huis vliegt. Met zijn snavel zou die vogel de woorden ‘Jij bent jij’ in de grond hebben gepikt. Het is de bevestiging waar Matthis zo naar snakt. Maar hij kan het aan niemand vertellen, omdat ze hem nooit zullen geloven. Zijn wanhoop wordt er alleen maar groter door.

Als de houtsnip door een jager wordt gedood is Matthis’ enige bondgenoot verdwenen. Zonder de taal van de vogels is hij nergens meer. Maar ook dat kan hij aan niemand uitleggen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.