Profiel

Guus Kuijers invloed kun je moeilijk overschatten

Guus Kuijer De Constantijn Huygens-prijs 2020 is donderdag toegekend aan Guus Kuijer. In zijn invloedrijke en ‘monumentale’ oeuvre stelde hij altijd de zelfbeschikking van kinderen en andere mensen centraal.

Guus Kuijer, in 2012 in Zweden, waar hij de Astrid Lindgren Memorial Award ontving.
Guus Kuijer, in 2012 in Zweden, waar hij de Astrid Lindgren Memorial Award ontving. Foto Stefan Tell

‘Het verlangen naar het inrichten van een eigen leven kan niet serieus genoeg genomen worden, bij kinderen én volwassenen’, aldus de jury van de Constantijn Huygens-prijs 2020. Die is toegekend aan Guus Kuijer, een ‘schrijver met een groot oog voor de kracht van het buitenbeentje’. Dat maakte de jury donderdagavond bekend in het radioprogramma Kunststof. Aan de prijs, een van de meest prestigieuze onderscheidingen in de Nederlandse literatuur, is een bedrag van 12.000 euro verbonden.

Kuijer, volgens de jury ‘een van de grote vernieuwers van de naoorlogse jeugdliteratuur en daarmee van de Nederlandse literatuur’, ontvangt de prijs voor zijn gehele ‘monumentale’ oeuvre, dat vijf decennia en tientallen boeken omspant. Kuijer schreef de veelbekroonde, generaties vormende kinderboekenseries over Madelief en Polleke, evenals de onbekendere, maar niet minder piekfijne kinderromans Olle (1990) en Pappa is een hond (1977), en divers werk voor volwassenen: het invloedrijke pamflet in Het geminachte kind (1980), het essay Hoe een klein rotgodje God vermoordde (2006) en De Bijbel voor ongelovigen (2012-2017), een hervertelling van de Bijbel, in zes delen. ‘Overal staat zijn geloof in het individu centraal’, concludeert de jury.

Guus Kuijer (1942) is na Annie M.G. Schmidt, Toon Tellegen en Joke van Leeuwen de vierde schrijver die de Constantijn Huygens-prijs voornamelijk krijgt voor een oeuvre van kinderliteratuur – waarbij aangetekend moet worden dat de eigenzinnige, kunstzinnige oeuvres van Tellegen en Van Leeuwen misschien nooit zo tot bloei hadden kunnen komen, wanneer Kuijer daar niet eerst de weg voor had bereid. De invloed van Kuijer op de Nederlandse kinder- en jeugdliteratuur kan moeilijk overschat worden.

Hij heeft zich vanaf zijn debuut onderscheiden met zijn lef, literaire durf, stilistische verfijning en de rotsvaste overtuiging dat kinderen niet voor half aangezien moeten worden. Hij debuteerde in een tijd waarin het ‘pedagogisch verantwoorde’ kinderboek, met goede normen en een geschikte moraal, nog hoogtij vierde. Daar verzette Kuijer zich tegen, schreef hij in Het geminachte kind: ‘Schrijver zijn en opvoeder zijn zitten elkaar in de weg. Hoe kun je schrijven als je aan het opvoeden bent? Aan het groot „brengen”. Grootbrengen is een tactiek, een opzettelijke, bedachte activiteit. Literatuur is terreinverkenning van een schrijver, geen wegwijsbord.’

Nobelprijs voor jeugdliteratuur

Nadat de anti-autoritaire Annie M.G. Schmidt frivool gebroken had met de burgerlijkheid, kon hij nog een stap verder nemen: Grote mensen, daar kun je beter soep van koken heette een van zijn eerste kinderboeken, waarin Madelief de hoofdrol speelde.

Met Madelief – vaak bozig, en terecht – vestigde Kuijer als twintiger meteen zijn naam van nieuwe, belangwekkende stem in de kinderliteratuur. Met de poppen gooien, het eerste boek over Madelief, kreeg in 1976 de Gouden Griffel; net als het derde Madelief-boek Krassen in het tafelblad, drie jaar later. In datzelfde jaar, toen Kuijer nog slechts een smal rijtje werken gepubliceerd had, luttele jaren na zijn debuut, ontving hij de Staatsprijs voor kinder- en jeugdliteratuur, de hoogste eer die er voor een kinderboekenschrijver te behalen was.

Daar bleef het niet bij. Kuijer werd de schrijver met de meeste Gouden en Zilveren Griffels. En in 2012 was hij de eerste Nederlander die de Astrid Lindgren Memorial Award toegekend kreeg, een jaarlijkse Zweedse oeuvreprijs (ruim 550.000 euro groot) met het aanzien van een ‘Nobelprijs voor jeugdliteratuur’. Daar telde mee dat hij in de geest van Lindgren werkt: net als zij neemt Kuijers oeuvre kinderen serieus, als individuen. „Vrouwen worden zo krachtig neergezet en Madelief is zo’n sterk personage dat ze de rol vervult die bij ons was weggelegd voor Pippi”, zei de Zweedse juryvoorzitter destijds. Kuijer zelf was in die tijd niet meer erg onder de indruk van zijn Madeliefserie, dat hij zag als jeugdwerk van ‘een beginneling die wel erg bang is om fouten te maken.’ Het tekent zijn literaire ambitie: ondanks zijn vroege succes was Kuijer niet gauw tevreden. De serie over Polleke, die hij in de jaren rond de eeuwwisseling schreef, vond hij zelf beter, zei hij in een interview, „omdat ik daarin veel meer bereid ben om gevoelens te tonen. Voor mijn part om sentimenteel te zijn.”

Fundamentalisme

Internationale waardering was er ook voor Het boek van alle dingen (2004), een van zijn laatste kinderboeken – en volgens Kuijer zelf zijn beste. Het is een ‘oneerbiedig’ boek, schrijft hij in de inleiding, over een onderwerp dat de schrijver na aan het hart ligt: een fundamentalistische, (geestelijk) gewelddadige opvatting van religie. Zoals hij in de jaren zeventig en tachtig ageerde tegen opvoeders die kinderen begrensden en bestraften en hen zo juist klein hielden, zo paste Het boek van alle dingen ook in Kuijers aanhoudende strijd voor zelfbeschikking. De vader van hoofdpersoon Thomas slaat zijn zoon, angstig voor goddelijke toorn om diens jeugdige rekkelijkheid. „Van Thomas eist hij het afschaffen van zijn eigenheid, hij wil zijn kern uit hem ranselen”, zei Kuijer in een NRC-interview.

Het vermoedelijke sluitstuk van zijn oeuvre, dat Kuijer het afgelopen decennium schreef, greep ook terug op zijn religieuze vorming – en zijn onvrede met benauwend fundamentalisme. Hij groeide op in Amsterdam in een katholiek-apostolische gemeenschap, en ontdekte als tiener zijn ongeloof. Tegelijk zwoer hij de bijbelverhalen niet af: die hadden hem moreel en menselijk gevormd. In De Bijbel voor ongelovigen hervertelde hij ze, en friste ze op door ze van hun mythische glans te ontdoen – door er weer scènes van te maken. Zo schudde hij de bijbelse figuren hun ideologische veren af en gaf ze hun individualiteit terug, veroverde de verhalen terug op de christelijke interpreten. Kuijer bevrijdde ze, gaf ze terug aan de mensen.