Recensie

Recensie

Kan de diesel nog ontsnappen aan zijn beulen?

Autotest De Mercedes GLB is oerdegelijk en heeft een onverbeterlijke motor, schrijft . Maar. Een diesel.
Foto Merlijn Doomernik

Ik stel een voor mijn mensentype onbestaanbare, blasfemische daad; ik bezoek met een Mercedes-suv de Praxis. Na de aankoop van acht balen boomschorssnippers en vier zakken Bemeste Tuinaarde is het op het parkeerterrein even zoeken naar de juiste treurbus, want alle Praxis-klanten rijden suv’s – wie daar winkelt, houdt wat over. Maar dan geeft de anonymus zijn machtige geheim prijs; mijn tuinmensbalen passen er in lengterichting allemaal in. En er hadden er nog zeker tien bij gekund zonder de achterbank neer te klappen, die zich tegen meerprijs ook nog eens in lengte laat verschuiven.

Waarom deze gastvrijheid zo verrassend is? In de suv-pikorde van Mercedes valt de GLB in het gat tussen de kleine GLA en de middenklasser GLC. Hij zou groter dan klein en kleiner dan middelgroot moeten zijn. Maar hij is groot, heel groot.

Ook niet misselijk is de prijs. Het boomschorsfeest begint bij vijftigduizend euro en de test-GLB kost bijna 67. Zonder vierwielaandrijving, elektrisch verstelbare stoelen, een schuifdak of de draadloze telefoonoplader waar je bij de Koreanen nooit naar hoeft te zoeken. Anderzijds: een betaalbare Mercedes is een onverkoopbare propositie. Men moet voor privileges willen bloeden.

Wel wordt het voor Mercedes-Benz steeds lastiger die status waar te maken. De modellen zelf zijn er niet slechter op geworden. Andere merken, de Koreanen voorop, ondermijnden de gezagsverhoudingen met waar voor het geld en lust voor het oog. Voor het behoud van zijn koppositie zal de GLB toch nieuwe normen moeten stellen. Op de prijs-kwaliteitindex zal hij die winst niet pakken. Kijk wat zo’n fancy crossover bij de concurrenten kost. De Volvo XC40 is er vanaf 38 mille, de BMW X1 vanaf 44 – allebei premiummerken. Vooruit, die zijn veel kleiner. Maar de Skoda Kodiaq niet, voor 35.000 euro met een laadruimte die geen spaan heel laat van de GLB. Geen premium, daarvoor is volgens de spelregels van de marketingmythologie een Naam van Stand vereist, kwalitatief geen haar minder.

De GLB is alvast de toonbaarste Mercedes-suv sinds de charmante GLK. Hij heeft iets ontwapenends in zijn trouwhartige rechtschapenheid, rechttoe rechtaan met mild geronde hoeken, wielen van beschaafd formaat en de tot chroomluier gedegenereerde beschermingsplaat onder de achterbumper. Intussen waakt hij terroristisch fanatiek over het vege lijf. Hij remt zelf voor kruispunten en rotondes af, die bij het aanrijden in beeld verschijnen op het infotainmentscherm. Had niet gehoeven, evenmin als de paniekzaaiende actieve veiligheidsassistenten die op eigen gezag bochtsnelheden aanpassen en onbegrijpelijke remingrepen uitvoeren. Maar heb je ze na een paar glijpartijen op een klunzig touchpad eenmaal uitgeschakeld, dan staat hier de boomschorsboomerdoos die bijna alles goed maakt. Een oerdegelijke auto met harde maar fijne stoelen, een uitstekend, comfortabel onderstel en – zie, daar is het unique selling point – een onverbeterlijke motor. Een diesel. Slik.

Verbluffende prestatie

Het tweeliterblok met de typecode OM654q rehabiliteert zijn soort zoals de GLB zijn genre. Het voldoet met lage CO2- en verwaarloosbare NOx-uitstoot aan de strengste Euro 6d-emissienorm. Met een verbruik van 1 op 23 duik ik ruim onder de fabrieksopgave. Na 200 kilometer geeft de boordcomputer een restbereik van 1.140 kilometer aan, voor een 1.580 kilo zwaar brok hoogbouw een verbluffende prestatie.

Benieuwd hoe deze krachtbron zou presteren in een lichtere, aerodynamische Mercedes. Voilà: De kleine CLA-sedan, ook met deze motor leverbaar, zakt door een schitterende luchtweerstandscoëfficient van 0,23 volgens de fabrikant naar bijna 1 op 24. Ik gok brutaal dat ik er 1 op 30 mee kan halen. Daar gaan de kopers na hun spaarpotoffer aan de Mammon onbeperkte spaarpret aan beleven, voor wat hoort wat. Althans: zolang het mag. Kan de diesel nog ontsnappen aan zijn beulen? Anderzijds: Wat als het dieseltij alsnog zou keren? Wat, als de vraag naar elektrische auto’s zou stagneren door de economische gevolgen van de coronacrisis en de toenemende onvrede over bereik en laadtijden? De voortekenen zijn er. De kans op een dieselrenaissance wordt uiteraard kleiner nu de eerste fabrikanten, van Volvo tot Toyota, dit traject voorgoed hebben verlaten. En de vraag naar de toekomstbestendigheid van de verbrandingsmotor blijft in het licht van slinkende fossiele energievoorraden uiteraard even urgent. Toch zou het politiek-mediale taboe op diesels weleens als een boemerang naar de duurzaamheidsprofeten kunnen terugkeren. Het is geen populaire boodschap en ik sta er niet obstinaat tevreden bij te juichen, maar hun ecologische rapportcijfers spreken boekdelen. Wordt vervolgd.