Foto Frank Ruiter

Interview

‘De bagage van je ouders krijg je er altijd bij’

Lunchinterview Guida Joseph (70) maakte een graphic memoir over haar ouders. Ze illustreerde het kampverleden van haar vader, en de aftakeling van haar moeder. „Tekenen is een vorm van therapie.”

Guida Joseph (70) staat op me te wachten in het voorportaal van het restaurant in Amsterdam waar we een timeslot van anderhalf uur konden boeken. Haar geloken, bruine ogen lijken te peilen of het goed volk is dat ze tegenover zich vindt. We zitten nog maar net aan het ons toegewezen tafeltje of ze zegt hoe lastig ze het vindt te praten over haar vader en haar moeder. „Ik heb altijd mijn mond gehouden”, zegt ze. Nooit sprak ze zich uit tegen haar ouders, nooit vertelde ze buitenstaanders over hoe het is om het enig kind te zijn van een vader met een concentratiekampsyndroom en een moeder die zijn verpleegster was en dat hun huwelijk lang is gebleven.

Maar nu doet ze, als stout meisje van 70, toch haar mond én een boekje open over haar ouders. De rode draad heet haar boek, of eigenlijk is het een graphic memoir. Ze is illustrator, en ze gebruikt tekeningen, krabbels, kattebelletjes, stencils, foto’s en collages om te vertellen hoe haar leven met deze ouders was. Ze begon te tekenen, zegt ze, als vorm van therapie. Ze wijst op haar hoofd en daarna op haar arm. „Wat ik niet kan verwerken, komt alleen zo naar buiten.” Haar vriendin, auteur en illustrator Francine Oomen, zag in haar stapels illustraties de contouren van een boek. „Of misschien wel twee. Een vaderboek en een moederboek.” Uiteindelijk is het één kunstwerk geworden, met haar ertussen als plakbandje dat de twee delen verbindt.

Halloooooo! Wij zijn je ouders!

De eerste tekening in het boek: een klein meisje op de rug gezien, tegenover zich twee volwassenen. Een vrouw met één koffer bij zich en daarnaast enkele flessen sterkedrank. Een man met twee koffers en een donkere wolk boven zijn hoofd. „Halloooooo!” zeggen ze tegen het meisje. „Wij zijn je ouders! Waar kunnen we onze koffers neerzetten?” Als je geboren wordt, zegt ze, krijg je of je wilt of niet de bagage van je ouders erbij. Die van haar vader was niet te tillen zo zwaar. Die ‘wolk’ boven hem, niet zichtbaar maar wel voelbaar, barstte regelmatig. Haar moeder moest het ontgelden, of de hond, of zij. „Na zo’n driftaanval zat hij ’s nachts te huilen naast mijn bed dat het hem zo verschrikkelijk speet.”

Zijn jaren als jonge man in Blechhammer, een van de werkkampen van Auschwitz, hebben zijn „ziel kapotgemaakt”. „Mij werd verteld dat mijn vader iets héél ergs had meegemaakt, en dat ik dus héél lief voor hem moest zijn.” En dat was ze. „Nog voor hij de sleutels in het slot van de voordeur stak, wist ik hoe hij zich voelde.” Ze was „getraind”, zo noemt zij het, om op eieren te lopen. Haar moeder ook. „Pas jaren later heb ik haar durven vragen waarom zij me niet beschermde. Ze zei dat ze ook bang voor hem was.”

Ze is even afgeleid en wijst naar het midden van het restaurant. „Daar kruipt iets kleins over de grond.” Een babymeisje is op onderzoek uit. Het was niet zo dat er niet van Guida gehouden werd. Integendeel. „Mijn vader was heel, heel erg dol op mij. Mijn moeder was dom, zei hij het liefst in gezelschap. Maar mij vond hij wél intelligent en daarom voelde het zo’n beetje alsof hij verliefd op me was. Hij zei altijd dat ik op zijn moeder leek.” Zijn moeder die vrijwillig op transport ging in de hoop haar zoon te vinden. „Ze kwam in Sobibor terecht en werd direct vergast.” Ze herinnert zich dat ze fantaseerde over broers en zussen om die beklemmende liefde mee te delen. „Elke avond legde ik hen een voor een in hun bedjes. Met z’n zevenen waren ze. En dan speelde ik dat mijn moeder nog even naar ons kwam kijken, en van ieder van ons vertelde hoe we heetten en hoe onze karakters waren.” Ze kijkt op, lachend. „Zielig hè.”

Haar vader is in 2005 overleden, veel later dan hij had verwacht. „Hij had de statistieken bekeken, mensen met zijn verleden zouden rond hun 53ste sterven. Hij had uitgerekend dat hij 1973 net zou redden. Sinds dat jaar was elke dag z’n laatste.” Bij elke doodsdreiging werd Guida opgetrommeld, ook al woonde ze inmiddels in Italië, met haar Italiaanse man en twee zoons. „Ik liet direct alles uit mijn handen vallen, liet de kinderen achter en nam het vliegtuig om mijn ouders te redden.”

Brieven van vader

Ze woonde vast niet toevallig ver van huis? „Ik ben met een vriend gaan reizen, ik was 27. Twee maanden zouden we wegblijven, drie hooguit.” Maar eenmaal in Afrika besloten ze daar voorlopig te blijven. Twee jaar reden ze het continent over, met een tent op het dak als huis. Haar Italiaanse man ontmoette ze daar, in de woestijn. Vroeger was ver weg. „Ik werd er alleen aan herinnerd als ik weer een brief ontving. Die van mijn moeder waren wel gezellig, maar die van mijn vader las ik niet graag. Die schreef altijd dat ik nu ogenblikkelijk thuis moest komen, omdat hij het geen seconde meer uithield zonder mij.”

Dat ze misschien toch iets had overgehouden aan haar „bijzondere” jeugd, ontdekte ze toen ze moeder werd van een peuter met driftbuien. „Als hij zijn sokken zelf aan wilde doen, en die niet heel precies bij z’n knieën eindigden, dan flipte hij.” Het bijzondere was, zegt ze, dat zij dan nog driftiger werd dan hij. „Dat was niet normaal. Ik begreep dat er iets in me werd getriggerd. Mijn ongeuite woede richting mijn vader.”

Ze is toen, zoals zij het zegt, bij „zichzelf binnen op zoek gegaan”. Reiki, ijsbaden, handoplegging, tarot, pendelen, noem het en ze heeft het gedaan. Op het spirituele pad zit ze nog steeds, omdat ze heilig gelooft in ‘energieën’. „Je voelt het als je in een kamer komt waar mensen net heel blij waren, of vreselijke ruzie hadden. Al dat leed van mijn vader, die wolk. Hij hoefde niks te zeggen, en toch wist ik wat hij voelde.”

Ik voel me diep verantwoordelijk voor mijn moeder

En dan nu even over haar moeder. In De rode draad wordt ze afgebeeld als bejaard dametje dat plat op haar gezicht ligt in een plasje bloed. Zo trof Guida Joseph haar aan in 2015 toen ze op doortocht was van Australië, waar haar volwassen zoons wonen, naar Italië, waar zij toen woonde. Tussenstop bij haar moeder in Amsterdam. „Dag een viel ze. Keihard.” Guida dacht dat ze dood zou gaan. Binnen een week viel ze nog een keer. Guida dacht dat haar einde nabij was. Weer een paar dagen later werd ze onwel tijdens het eten. Nu zou het wel snel gebeurd zijn, dus besloot Guida bij haar moeder te blijven tot het zover was. Tweeëneenhalf jaar later: haar moeder zit nog steeds „springlevend in haar groene stoel”. Guida ontdekt in het keukenkastje de oorzaak van de valpartijen: tig flessen sterkedrank.

De huisarts adviseerde haar dringend om uit huis te gaan en niet meer 24/7 voor haar moeder te zorgen. En nu – weer 2,5 jaar verder, haar moeder is nu 94 – is ze nog niet terug naar Italië, maar staat haar leven „on hold” in Amsterdam. „Ik voel me diep verantwoordelijk voor haar. Hoe niet-aardig ik haar soms vind, ik kan haar niet in de steek laten.”

Haar moeder, daar is het boek mee begonnen. „Alleen door te tekenen kan ik kenbaar maken hoe ik over haar denk.” We zien haar in de oude gestreepte pyjama van haar overleden echtgenoot opgekruld in bed liggen, we zien haar met „gemene zeer-goed-plakkende lijm” briefjes plakken op de zadels van foutgeparkeerde fietsen, we lezen hoe ze de thuiszorg afpoeiert. Niets uit het boek heeft Guida Joseph ooit met haar moeder besproken, zegt ze. „Ze kan heel fel reageren. Dus zeg ik maar liever niks.”

Ze maakte een lijstje met wat ze wél leuk vindt aan haar moeder. Haar overlevingsinstinct, daar bewondert ze haar om. „Ze was doodgeboren, althans dat dachten ze. Ze werd op de grond gelegd, iedereen bekommerde zich om háár moeder die bijna bezweek. Tot ze een kreet slaakte. Verrek, het lééft.”

Die levensdrang heeft haar overeind gehouden in een huwelijk waarin ieder ander zou zijn bezweken, denkt ze. Dus ja, haar moeder is kranig, maar ook stokdoof, een lastpak, alcoholist en nauwelijks nog in staat voor zichzelf te zorgen, ook al denkt ze zelf van wel.

‘Groeten uit Blechhammer’

Toen ze toch bezig was alle irritatie en frustratie van zich af te tekenen, is ze ook begonnen aan het oorlogsverslag van haar vader. „De psychiater had hem aangeraden zijn herinneringen op te schrijven.” Stapels getypte A-viertjes. „Als ik dát las, zei mijn vader, zou ik hem eindelijk begrijpen”. Maar ze kon het niet. Nu wel? „Alleen door me op te stellen als een dokter die een patiënt behandelt zonder zelf ziek te worden.”

Ze is haar vaders verleden gaan illustreren; schrijft hij over vijf om vijf opgestapelde lijken, zoekt zij er plaatjes bij. Ze maakte een ansichtkaart met ‘groeten uit Blechhammer’, en een fotoroman van de ontmoeting tussen de tbc-patiënt en de Zeeuwse verpleegster met wie hij trouwen zal.

Het was een „moeilijk ei” om te leggen, zegt ze, dit boek. En nu het bijna in de winkels ligt, heeft ze „dubbele gevoelens”. Blij, maar ook beducht om „met de billen bloot” te gaan. Wat diep in haar zit, is nu voor iedereen te lezen. „Ik hoop niet dat mensen het een klaagboek vinden.” Dat is het zeker niet. Daar is het te grimmig en te grappig voor.