De gewone man verdient een standbeeld

Status De gewone man raakt steeds verder uit de gratie, concludeert Arjen van Veelen. Het wordt tijd dat hij een standbeeld krijgt dat zijn einde markeert.

Illustratie Aart-Jan Venema

Als de mannen het duin afdalen om tegen de robots te vechten, denk ik aan de veldslagen uit geschiedenisboekjes. Zal deze strijd daar ook in belanden? De kans lijkt klein. Er zijn vandaag maar een man of zeventig, tachtig. Sommigen zijn in werkkleding gekomen, olievlekken en al, rechtstreeks van de havenkraan of het containerschip, lijkt het wel. Anderen gewoon in korte broek en op sneakers. Er zijn heavymetalshirts en Feyenoord-tatoeages in de nek.

Vraag is nog maar of deze strijd de krant haalt. Maar ook een gevecht dat niemand ziet kan legendarisch zijn.

Dan, op het teken van één van de leiders, banjert de groep in slordige linie door zand en struiken naar beneden, waar de bouwplaats is. Onwillekeurig hijs ik mijn broek omhoog zodat ik straks, indien nodig, soepel over het hek kan klimmen.

Het Havenbedrijf Rotterdam is daar bezig met de aanleg van een gedeelte van een ringweg, die in totaal 12 kilometer lang moet worden en die alle containerterminals met elkaar zal verbinden. Over die zogeheten Container Exchange Route zullen jaarlijks een miljoen containers uitgewisseld kunnen worden. Niet door bemande vrachtwagens, maar door robotwagens. Dat betekent honderd banen minder. Precies het soort baan waarop veel havenwerkers hopen voor als hun lijven versleten zijn van het gewone werk. Daarom moet de bouw van die robotbaan worden stilgelegd. In het appje dat ik kreeg doorgestuurd van een kraanmachinist stond: „Thuisblijven is accepteren dat we op termijn allemaal op moge rotten.”

We tillen onze lijven over de vangrails. Bij de bouwput staan twee kleine politieauto’s. De toegangspoort is gesloten, erachter staan drie of vier bouwvakkers in oranje hesje. Rond de bouwplaats strekt de Maasvlakte zich uit als de vlakte rond Troje.

Verder geen kip te zien. Ook geen cameraploeg.

We drommen samen bij de poort in afwachting van wat komen gaat. Er is wat dreigende taal, gerammel aan het hek. Iemand trekt de stekker uit het ronkende aggregaat, er valt een stilte. De voorman van de bouwvakkers komt naar het hek.

Een vakbondsman houdt een woeste speech. De krachttermen, waarvan hij denkt dat havenwerkers ervan houden, waaien weg in de wind.

Aan de andere kant van het hek staan een paar bouwvakkers in oranje hesjes een tikje nerveus te kijken. Van schermutselingen komt het niet. We taaien af, het aggregaat gaat weer aan.

Dit was mannen tegen robots, episode zoveel. Ik ben bijna teleurgesteld dat de mannen niet gevochten hebben, alleen gestaard. Alsof ze hun eigen verdwijnen al aanvaard hebben.

Je zou het protest kunnen zien als een laatste schermutseling in een verloren strijd. Al een kwart eeuw geleden reden hier de eerste robotkarretjes rond. Sindsdien kwamen er steeds meer computers en steeds minder mensen.

Rotterdam ontleende juist zijn ziel aan de mythische havenarbeider. Het was een rode stad, een socialistische stad, waar tienduizenden saamhorige havenarbeiders heer en meester waren. En nu? Er zijn er nog maar een paar duizend over. En een handjevol sjokt nu over de vlakte terug naar de auto’s, sommigen met een blikje Heineken in de hand. De laatsten der Mohikanen. Ze zijn hun koninkrijk kwijt en weten dat diep van binnen.

De Maasvlakte is de man cave van onze samenleving, daarom kom ik er graag. Hier vind je het laatste bastion van wat ooit het keizerrijk der mannen was. Maar zelfs het bastion stort in.

Hij wil geen medelijden, hij wil zwijgend vallen, stoïcijns als een eik in het woud

Want hier had een leger van tienduizenden moeten staan, bedenk ik als de groep de duinen weer opklimt. Maar juist dat kleine groepje maakt het zo historisch. Dit is een van de laatste opflakkeringen van verzet. Deze schermutseling markeert het einde van een tijdperk.

Je hebt mensen die het nieuws volgen en je hebt mensen die het nieuws aan den lijve ondervinden. Havenwerkers horen bij die laatste categorie. Je hoeft een kraanmachinist niet uit te leggen dat techniek het leven makkelijker maakt, geen mensenrug kan immers zelf een container tillen. Maar steeds als de robots komen, krijgen zij het toch slechter, merken ze. Moeten ze juist harder werken om de robots bij te benen. Krijgen ze hartritmestoornissen of diabetes type 2 van het nachtwerk. Robots hebben vele voordelen – voor hun baas in China.

„Heel de wereld heeft het nu over Black Lives Matter”, zei de vakbondsman ook nog in zijn speech. „Laat ik zeggen hiero: dockers lives matter. Hier staan alle kleuren en geloven door elkaar, we geloven maar in één ding: eigen werk.”

Niet iedereen van de aanwezigen vond die vergelijking ergens op slaan. Wat zwarte Amerikanen in de VS meemaken, is toch wel iets anders. Maar het klopt dat hier niet alleen banen op het spel staan, ook een levenswijze, een identiteit. Die van de gewone man. En met gewoon bedoel ik: mannen zonder academische graad. En dat die aan een aftocht bezig zijn zonder applaus.

Lees ook: Robots maken het leven té makkelijk

Terwijl de machines in hun nek hijgen, mogen zij zelf nog wat jaartjes steeds afstompender werk doen. Nog een paar jaar mogen ze zich kapotwerken om zichzelf overbodig te maken. Voor deze mensen is de komst van 5G geen gadget voor videogames maar een vernieuwing die zal betekenen dat een tiener in Polen met een joystick hun werk straks overneemt.

Daarna is dit archetype verdwenen. De gewone man voelt zich overtollig, een sta-in-de-weg, voorbijgestreefd door Chinezen, vrouwen, automaten. Daar gaat zo’n protest evengoed over. Niet de veldslag zelf, maar de aftocht maakt dit protest legendarisch: de gewone man staat op het punt in de geschiedenisboeken te belanden.

Mechanisering en automatisering maakten achtereenvolgens zijn spierkracht en daarna zijn denkkracht overbodig. Door globalisering is hij verder in het nauw gedreven. Vrouwen halen hem allang in, kijk gewoon naar de schoolcijfers, waar meisjes het beter doen, kijk naar de universiteiten, waar vrouwen inmiddels in de meerderheid zijn.

En hoe symbolisch: op veertig kilometer van het stadscentrum, op een lege zandvlakte zonder publiek, vecht hij zijn laatste veldslagen. Beetje zoals echte mannen alleen kunnen huilen als niemand kijkt.

Niemand die hen ziet, laat staan hun lot bezingt. Exit zonder applaus. Hij krijgt niet eens meer de kans om zoals Vercingetorix tegenover de Romeinen enigszins eervol zijn nederlaag te erkennen.

Illustratie Aart-Jan Venema

Gewone mannen bestaan nog wel, maar ze leven verstopt en ze zijn cultureel gemarginaliseerd. Je kunt ze vinden als de halfslaven in de postorderpakhuizen in Waalwijk of in de kassen van het Westland. Op tv wordt hij alleen nog vertegenwoordigd door karikaturen à la Derksen, aan wie hij zelf evengoed een hekel heeft. De gewone man als volksheld en nobel voorbeeld: dat is een aflopende zaak.

De hele categorie ‘man’ is sowieso vaag en vloeibaar geworden. Niemand wil het nog zijn. Mannelijkheid is als de wat oudere werknemer die nog niet doorheeft dat men steeds minder hard is gaan lachen om zijn grappen.

Lees ook dit eerdere stuk van Arjen van Veelen: De man doet het niet snel goed

En nu valt het stil. Zijn lievelingseten is fout, zijn foute grapjes zijn fout, elk handgebaar lijkt een micro-agressie. Hij moet zijn benen bijeenhouden en zijn ballen bijeenknijpen als hij zit, anders heet hij een manspreader. Hij kan alleen man blijven door zijn mannelijkheid te ontkennen, door te luisteren; zodra hij praat is hij een mansplainer.

Mannelijkheid begint gelijk te staan aan foutelijkheid.

En als hij de pech heeft ook nog eens wit te zijn, bedenk ik in de auto, dan is hij niet alleen overbodig, maar schuldig bovendien. Marx is dood en de vakbond ook, hij is een verloren zaak waar niemand nog z’n fikken aan wil branden.

Klassenstrijd en solidariteit hebben plaatsgemaakt voor kleurenstrijd en intersectionaliteit. Witte mannen mag je straffeloos op één hoop gooien, je mag enerzijds etnische scheldwoorden als tokkie op ze loslaten, en ze anderzijds privilege aanwrijven. Straatarm of niet: ze moeten hun ‘witte huiswerk’ doen, dat wil zeggen Amerikaanse, academische boeken bestuderen over de erfzonde van hun privilege, de meewind die ze nooit hadden.

Kijkt de gewone man het nieuws, dan ziet hij overal vallende mannen uit de elite. Zelf hoort hij niet tot de elite, maar alle mannen zitten, of ze dat nu willen of niet, via onzichtbare draden aan de standbeelden van foute mannen vast. Ook de gewone man wordt meegesleurd in de val van machtige foute mannen.

De enige optie die ze hebben is om gracieus, niet kleinzerig, neer te gaan.

Lees ook het opiniestuk van Bas Kromhout: Die helden op sokkels staan eigenlijk in het vergeetboek

We moeten vooral geen medelijden met hem hebben. Hij heeft genoeg reden om te huilen, behalve dat hij dat zichzelf niet toestaat, want hij bewierookt de mannelijkheid die hem zachtjes vergiftigt. Medelijden is het ergste wat je hem kunt aandoen. Maar laten we een standbeeld oprichten voor de laatsten der gewone mannen, dacht ik. Een beeld dat zijn aftocht markeert. Het einde van een tijdperk.

Dat is nodig, juist nu overal standbeelden neergaan. Want al die vallende beelden zijn van heroïsche mannen uit de elite. Helden en bazen. Die geven een verkeerd beeld.

Het moet geen heroïsch standbeeld zijn, of het moet de heroïek zijn van een tactische terugtrekking. Het brons moet gebutst en gehavend zijn, de hernia en slaapapneu zichtbaar in de gelaatstrekken. Niet energiek met een houwdegen naar voren; eerder leeg als een Bulgaarse orderpicker bij een bushalte in Waalwijk. Niet een held als de dokwerker, niet de door spierkracht gekromde rug van de zakkendrager; eerder een uitgeput, onvast beeld, verward, slaapwandelend, wankelend – nee, nog beter: een beeld dat al valt.

Opgroeien als man in de 21ste eeuw betekent groot worden in een aftocht, een training in irrelevantie. Dat maakt de man in nog één opzicht superieur: als pionier van de weg die wij allen ooit moeten gaan. De weg naar de marginaliteit.

Wat is vechten tegen robots anders dan vechten tegen je eigen overbodigheid, in het besef dat je toch nooit zult winnen van computer en koud staal? Dat je de weg van alle vlees moet gaan? In het reine komen met je eigen overbodigheid: is dat niet wat alle mensen ooit moeten doen, liever vroeg dan te laat?

De man kan leiderschap tonen in zijn val. Mannen kunnen veel beter vallen dan vrouwen. Noem één vrouw die de laatste tijd is gevallen, zelfs Halsema bleef ondanks de storm gewoon staan.

Zeker, er zijn nog altijd veel machtige mannen. Mannelijkheid is een gestaag dalend aandeel dat nog altijd hoog staat, daar niet van, maar de trend is onmiskenbaar en onontkoombaar.

En zeker, het einde van de man is al zo vaak aangekondigd, dat we het haast niet meer geloven nu het gebeurt. En het is echt zover. Heel letterlijk. In de VS is de levensverwachting van witte mannen zonder academische graad aan het kelderen. Komt door wat men ‘wanhoopsdoden’ noemt. Mannen sterven bij bosjes door drugs, zelfdoding en algehele ellende. Ze cijferen zichzelf alvast weg op hun bekende zelfdestructieve wijze.

Kortom, de man ligt al op de grond, maar mag niet huilen, niet van zichzelf, niet van de verstikkende mores waarmee hij is opgevoed, niet van anderen, die hem huilie huilie zullen verwijten. Niemand zal medelijden met hem hebben, maar hij wil ook geen medelijden, hij wil zwijgend en buiten zicht vallen, stoïcijns en solitair als een eik in het woud. De enige roem die hij nog kan halen, is te proberen om gracieus de grond te raken, de val te breken met een soepele rol.

Lees ook het opiniestuk van Didier Rwema: Standbeelden representeren de wereld van de winnaars

Een standbeeld van de gevallen man, in de vorm van een fraai gevallen man, is misschien wel het beste waar hij op kan hopen, leek me. Een beeld dat zijn toestand perfect verbeeldt, languit op de grond, en dat nooit meer omver te gooien is, omdat-ie al omver ligt.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.