Foto Humberto Tan

Interview

‘Al mijn verdriet stopte ik in de sport’

Topsport Als kind werd ze gepest, als topzwemmer vernederd door coaches. In haar biografie vertelt Sharon van Rouwendaal (26) hoe ze zich daartegen beschermde. „De focus op de sport was de makkelijkste weg.”

Ze lacht als ze haar smartphone laat zien. Op het scherm een trainingsschema dat tot op de meter nauwkeurig is uitgetypt. Het is typerend voor haar Franse coach Philippe Lucas, zegt Sharon van Rouwendaal. „Hij wil altijd en overal de controle houden.” De zwemster, die in Montpellier woont en traint, is een paar weken in Nederland. „Ik ben nu zover dat ik durf af te wijken van zijn schema, als ik denk dat dat beter voor me is. Dat ga ik hem natuurlijk niet vertellen.” Na een stilte: „En daar voel ik me dan weer schuldig over.”

De gecompliceerde relatie tussen Lucas en Van Rouwendaal is een belangrijk onderwerp in de biografie die Van Rouwendaal liet schrijven. Haar verhaal is in één woord te vangen: bruut. Niet toevallig de titel van het boek. Het verwijst naar haar twee belangrijkste coaches, voor wie vernederingen en scheldpartijen part of the job zijn. Naar het harde leven in Frankrijk, waar ze met haar ouders en zus op haar achtste naar emigreerde. Waar ze op school geslagen werd als ze een fout maakte.

Maar de titel slaat ook op de loeizware Franse trainingen waarbij ze in een aftands buitenbad, soms met bevroren waterdruppels op haar zwembril, kilometers op en neer zwemt. Elke dag weer. „En ja, zelf ben ik misschien ook wel bruut, geeft ze aarzelend toe. „Want onder heftige omstandigheden functioneer ik het best. Ik zet mijn gevoel uit, stap over de pijn heen en ga ervoor.”

Lees ook: Van Rouwendaal gaat door tot haar lichaam kapot is.

Bewijsdrang

Ze noemt de spartaanse manier van trainen dan ook geen opoffering. Net zomin als dat het een opoffering was om op haar dertiende het ouderlijk huis in de Dordogne te verruilen voor Narbonne, waar ze haar intrek nam bij haar eerste Franse coach, Alexis Pannier. Of om de belangrijkste toernooien zonder ouders door te brengen, uit bijgeloof. Eén keer was het gebeurd dat ze niet presteerde toen haar ouders op de tribune zaten, en dus vroeg ze hun niet meer te komen kijken. Ook niet tijdens de Olympische Spelen in Rio de Janeiro, toen ze na tien kilometer zwemmen als eerste aantikte en even later als kersvers olympisch kampioen het Nederlandse volkslied mocht beluisteren. Haar ouders zaten thuis op de bank. Van Rouwendaal, vastberaden: „Het zijn geen opofferingen, dit is simpelweg mijn pad.”

Een pad dat teruggaat naar haar kindertijd in Soest, en later in de Dordogne. Van Rouwendaal voelde zich als kind anders, geen meisjes-meisje. Vriendinnetjes had ze niet. Integendeel. Ze werd gepest door de meisjes uit haar klas. „Mijn moeder huilde er vaak om, maar zelf had ik toen al een muur om me heen gebouwd”, zegt ze. In plaats van te spelen met vriendinnetjes of als puber geheimen te delen met andere tienermeiden, sprong ze urenlang op haar trampoline, of zocht ze troost bij Duck, de eend die ze als huisdier hield.

Maar ook zocht ze haar toevlucht in het zwembad of op de atletiekbaan. Haar verdriet zette ze om in kracht en snelheid. Ze werd een van de beste zwemsters en hardloopsters van de regio, eerst in Utrecht, later in Zuid-Frankrijk. „Natuurlijk vond ik het vreselijk dat ik gepest werd, maar mijn verdriet stopte ik in de sport. Misschien was het een vlucht. Als meisjes me uitscholden, dacht ik: ik loop jullie er tijdens een wedstrijd allemaal uit. En dat deed ik dan ook. Ik wilde me altijd bewijzen.”

Straftraining

Ze denkt dat hier de basis ligt van haar succes, haar mentale hardheid. De door haar zorgvuldig opgebouwde muur moest haar beschermen tegen pesterijen, later ook tegen negatieve media en wispelturige coaches. „Ik heb geleerd mijn gevoel uit te schakelen. Toen ik op mijn dertiende bij mijn ouders wegging, had ik nauwelijks last van heimwee. Natuurlijk miste ik ze, maar ik had besloten er niet aan te denken. Ik was alleen maar bezig met de vraag hoe ik die middag weer afgemat zou worden tijdens de training. En eigenlijk werkt het nog steeds zo. De focus op de sport is de makkelijkste weg om de ellende te vergeten.”

Ze traint alweer zeven jaar met Philippe Lucas, geen enkele zwemmer hield het zo lang vol met hem. De zware trainingen en de verbale agressie eisten voor anderen hun tol, en dus kozen de meeste zwemmers binnen twee jaar eieren voor hun geld. Maar Van Rouwendaal slikt het allemaal. Zoals een zware straftraining na het op een haar na missen van een gouden medaille op de WK in Kazan (2015). Of Lucas’ weigering haar uit het trainingsbad te laten, als ze last heeft van een blessure. Een coach die bewust onvindbaar is als ze voorafgaand aan een belangrijke wedstrijd een peptalk nodig heeft. En voor wie het normaal is om tijdens de training te schreeuwen dat ze de slechtste zwemster is die hij ooit getraind heeft.

Hoe ze dit volhoudt? „Het is een spel”, zegt Van Rouwendaal. „Philippe kan inderdaad over mijn grenzen heen gaan, maar meestal raakt het me niet. Uiteindelijk ga ik alleen maar harder zwemmen, en dat is wat hij wil. Jij denkt dat ik moe ben? Heus niet! En ik ben zijn slechtste zwemmer? Je kunt me wat, ik zal het je laten zien. Als iemand tegen me zegt dat ik iets niet kan, wil ik mijn middelvinger opsteken en het tegendeel bewijzen. Met een andere aanpak was ik geen olympisch kampioen geworden.”

Soms komen irritaties bovendrijven als ze het over haar coach heeft, maar meestal lacht ze discutabele momenten weg. Zoals toen Lucas een foto van haar billen nam, om daar vervolgens met anderen om te geinen: „Kijk, een biggetje!” Of om het dreigement dat hij uitte toen Van Rouwendaal afgelopen jaar na een ruzie een andere trainer wilde zoeken: „Ik kan je concurrent betalen om jou tijdens de race een klap te geven.” Ze keerde op haar schreden terug toen hij zijn excuses aanbood en zei dat in elke relatie heftige ruzies voorkomen.

Vernederende uitspraken

Ook haar jaren als tiener bij coach Alexis Pannier hebben haar koud gelaten. Ook hij was niet vies van vernederende uitspraken, ook bij hem was Van Rouwendaal de slechtste zwemster die hij ooit getraind had. Ze liet het allemaal gebeuren. Ook toen Pannier een seksuele relatie bleek te hebben met een van de inwonende minderjarige zwemsters, die ook nog eens zijn stiefdochter was, liet ze zich niet afleiden. Later werd de coach veroordeeld voor verkrachting met vier jaar celstraf.

Foto Humberto Tan

„Mijn ouders hebben zich zorgen gemaakt over mij. Wat gebeurde er allemaal in dat huis? Maar ik was alleen maar bezig met mijn sport. Mijn zwemtijden verbeterden onder Pannier enorm, ik ging sneller en sneller. Wat er tussen hem en die zwemster plaatsvond, was niet mijn probleem. Ik wist het, maar het kwam niet echt binnen.” Hoe ze daar tegenaan kijkt nu er steeds meer bekend wordt over seksueel misbruik in de sport? „Ik ben nog steeds geneigd om me ervoor af te sluiten. Die zwemster daagde hem uit, hij is erin geluisd. En mij heeft hij niets misdaan.”

Ze weet dat de pestervaringen uit haar jeugd haar uiteindelijk successen hebben bezorgd. Tegelijkertijd ervaart ze ook dat haar muur soms brozer is dan hij lijkt. „Als ik mezelf minder sterk voel, hakken incidenten er wél in. Zoals die ruzie met Philippe vorig jaar, toen ik ook nog eens geblesseerd was. Zijn vernederingen raakten me toen blijkbaar wél.”

Maar ook: „Als ik een gouden medaille win, voel ik gelukkig wél alles en dan komen de tranen ook.” Hoe dat in haar privéleven gaat? Durft ze emoties dan wel binnen te laten komen? Ze lacht. „Ik heb weinig met mensen, maar als ik afscheid moet nemen van mijn vriend of ouders, voel ik het wel, hoor. Ik kan mijn emoties laten zien aan een klein groepje mensen dat dicht bij me staat.”

Het is gelopen zoals het moest lopen, vindt Van Rouwendaal. „Ik ben gepest, maar ik ben er sterk van geworden. Met als ultieme bekroning die olympische gouden medaille, waarvan ik op mijn zesde al zei dat ik die ooit zou gaan bemachtigen.” Dat goud heeft haar meer zelfvertrouwen gegeven. Zeker in relatie tot coach Lucas. „Terwijl ik de jaren voor de olympische titel precies deed wat hij zei, en me af en toe zelfs gehersenspoeld voelde, durf ik nu vaker een weerwoord te geven en mijn eigen pad te kiezen. Philippe is gelukkig íéts milder geworden, maar hij blijft onvoorspelbaar.”

Of die ene gouden plak alle ontberingen waard is geweest? „Zeker! Toen ik olympisch kampioen werd, dacht ik aan al die meisjes die me vroeger pestten, en nu thuis voor de buis zaten te kijken naar mij. Zó sloeg ik dus terug.”

Sharon van Rouwendaal - Bruut, Natasja Weber, Edicola Sport, 256 blz, 21,95 euro