Zoek het gedicht in de stad (of omgekeerd)

Speurtocht Er zijn veel gedichten over Amsterdam. Kun je met hulp van straatnamen ook andere poëzie op de kaart van Amsterdam zetten? Kun je wandelen langs een gedicht?

Amsterdam vanuit vogelvluchtperspectief.
Amsterdam vanuit vogelvluchtperspectief. Foto Maarten van de Biezen

Ter hoogte van het Koningsplein
was onze liefde engelrein.
Maar bij de Munt werd het al minder.
Mon Dieu, als ik het niet verhinder…
Hoe zal ’t dan bij de Amstel zijn?

Turfdraagsters

Dit gedicht van Annie M.G. Schmidt is een wandelingetje van vier minuten volgens Google Maps, iets meer als je de Amstel niet bij de Munt laat beginnen maar bij de Blauwbrug, dan moeten Schmidt en haar eventuele ex nog de Reguliersbreestraat en het Rembrandtplein over en hebben ze nog zeven minuten om er een eind aan te maken. Vandaar is het nog bijna een half uur naar de straat die in 2010 naar de schrijfster werd genoemd, heel toepasselijk gelegen op het Oosterdokseiland tussen de Openbare bibliotheek en het Conservatorium, al is het misschien wel de meest sfeerloze straat van de stad; er is zelfs een petitie geweest om een andere straat naar Schmidt te vernoemen.

Amsterdam komt wel vaker voor in liedjes en gedichten; er zijn diverse bloemlezingen mee gevuld. De hoofdstad is bezongen van Jacob Israël de Haan tot Gershwin Bonevacia, op dit moment de stadsdichter. De Dapperstraat is dankzij J.C. Bloem beroemder dan de Bloemstraat.

De namen van de straten van de stad hebben soms zelf al iets poëtisch en roepen nieuwsgierigheid op. Waarom een Bloedstraat? Waarom een Openhartsteeg? Wie of wat is Kostverloren? Troepiaal?

In het oude centrum tref je gebouwen aan (kapel, kerk, klooster, molen, paleis, poort, raadhuis, spinhuis), landschappen (boom, hei, hekelveld, stro, tak, wijngaard, zee), dingen (handboog, raam, spaarpot, spiegel, vijzel, voetboog, windroos) en beroepen (monniken, houtkopers, huidenvetters, schippers, schouten, steenhouwers, trompetters, turfdraagsters) die de leeftijd van de stad verraden – 750 jaar oud in 2025.

Voor moderne dingen moet je verder weg. Er is in Amsterdam een Modem- en een Diskettestraat. Echt. Het klinkt nu al meer achterhaald dan houtkoper en turfdraagster. Enfin. Je kon en kunt in de stad nog steeds goed eten en drinken: boterenbrood, suiker, kalfsvel, kikkerbil, worst, twee worsten zelfs, snoek, olie, water, karnemelk, lepel, mosterd, peper, zout en nadorst hebben allemaal een straat of steeg. Naast de Magere burg is er ook een Lekkeresluis. Bloemen koop je niet op de Bloemenmarkt maar in de Jordaan of in het Tuttifruttidorp in Noord, waardoor er in de stad veel meer dan honderd planten zijn te krijgen. Er is zelfs een Gietersstraat (ja, die slaat eigenlijk op een klokkengieterij, maar toch).

Prozaïsch kan het ook: in Noord is sinds 1918 behalve de Eerste Vogelstraat ook de Tweede t/m Zesde Vogelstraat, de Lange Vogelstraat, de Korte Vogelstraat, de Brede Vogelstraat, de Vogelkade, het Vogelplein en het Vogelplantsoen.

Schijn bedriegt, vaak, in de straatnaamgeving. De Dubbeleworststeeg heet niet zo omdat daar iets met worsten is gebeurd (wat?) maar omdat daar ooit een man woonde die Laurens Dubbelworst heette. Toen hij verhuisde, verhuisde de naam mee. Waarmee haast niets verklaard is, want waarom heette hij Dubbelworst? In de databank van familienamen van het Meertens Instituut komt de naam niet voor.

Betekenis kan ook gruwelijk onachtzaam zijn. Windhond, Leliëndal en Koffieboom op het Westerdok zijn geen gezellige verwijzingen in oude spelling (winthont, leliendaal en coffijboom) naar dieren en planten maar namen van schepen van de West-Indische Compagnie waarmee tot slaaf gemaakte mensen werden verscheept.

Gershwin Bonevacia dichtte een paar maanden geleden dat je onder meer pas een Amsterdammer kunt zijn als

„Je de pijn voelt van de ongelooflijk lange weg
die sommige mensen hebben afgelegd om hier te zijn,
klein maar mooi stukje grond”

In een ander gedicht schreef hij:

„Kunst verplaatst ons, heeft het vermogen
om ons buiten onszelf te brengen,
zodat we ruimte kunnen maken in de binnenplaats.”

Wandel een gedicht

Kun je een gedicht wandelen? Er zijn wel stadswandelingen die de gangen van een auteur nagaan, onder wie Annie M.G. Schmidt, W.F. Hermans en Gerard Reve, die laten zien waar ze gewoond en geschreven hebben, maar wat als je het gedicht zelf tot leidraad neemt? Voor J.C. Bloems Dapperstraat blijk je dan Oost uit te moeten, maar je kunt wel in de stad blijven. De natuur uit de eerste regel vinden we in de Tuinstraat, de tevredenen in de Vrolikstraat en de legen in de Leeghwaterstraat. De derde regel brengt ons naar Bos en Lommer en voert voorts naar de Hugo de Grootstraat en de Nieuwezijds Voorburgwal, ooit de straat waar de redacties van vrijwel alle kranten gevestigd waren. Op nummer 240 staat in gouden letters nog steeds Algemeen Handelsblad op de gevel. De laatste regel snelt naar de Prinsengracht, waar op de hoek met de Spiegelgracht sinds mijn mensheugenis café Heuvel is gevestigd, dat ook aan rijmen doet: „als ik sneuvel dan bij heuvel” staat er op de luifel. Nuttige poëzie.

Het op de kaart zetten van een gedicht voelt als het maken van een cryptogram of meedoen aan een pubquiz: je weet niet hoe je het weet maar je weet het. Het klopt. De naam van een koning, de kleur van een vlag, de uitslag van een tenniswedstrijd. Feiten die al lang liggen opgeslagen, mogen opeens luchten, vergeten kennis kan de binnenplaats op en nieuwe verbanden aangaan. Een brief van gesmolten glas is email. Bijna poëzie.

Met de gedichten gebeurt er meer. Poëzie is wel omschreven als de allerindividueelste uitdrukking van een allerindividueelste emotie, maar dat is vooral gedacht vanuit de dichter. Voor de lezer is het juist een empathiemachine, waar wat hij alleen kan voelen eindelijk of plotseling in wordt uitgedrukt. Maar hij voelt het dus wel; en verheugt zich dat hij niet alleen is, niet alleen leeft. Dat brengt me naar een nog fundamentelere vraag. Hoe herkennen we?

Filé, dé echikpodi ganme nonté.

Voor de lezer is het gedicht een empathiemachine, waarin zijn gevoelens eindelijk of plotseling worden uitgedrukt

Dit is niet het begin van een klankgedicht. We moeten dus de taal spreken, of een vertaling bemachtigen, die als bij toverslag van Filé ‘hier’ maakt, en van echikpodi ‘tijd’. „Hier, waar de tijd gestopt lijkt” is de eerste regel van een gedicht in het Gen, een taal die in Benin en Togo door zo’n 300.000 mensen gesproken wordt. Het vers is door Agnes Agboton in het Gen geschreven en in het Spaans vertaald, toen weer door de Amerikaanse dichter Lawrence Schimmel in het Engels, en nu door mij weer vernederlandst. Blijft tijd dan tijd?

Je kunt waarschijnlijk nooit weten hoe iemand anders zich een begrip als tijd of nog concreter, huis of oog of begraafplaats voorstelt, wat daar allemaal in resoneert. Alle taal is steno. Maar poëzie kan doen vergeten dat dit zo is.

Poëzie op de kaart

Zou je ook gedichten die niet over Amsterdam gaan naar Amsterdam kunnen halen? Gedichten schieten als alle goede kunst voortdurend heen en weer tussen het algemene en het bijzondere; het universele en het particuliere. Laten we de proef op de som nemen en een niet Amsterdams gedicht op de kaart zetten. Omdat dit het Zomerboek is koos ik een zomerliedje, maar wel uit een andere tijd en een andere plaats, geschreven voordat Amsterdam ook maar bestond, zo’n 1.500 jaar geleden, door de Chinese keizer Wu Ti. De vertaling is van Elisabeth de Jong.

Zomerliedje
„Toen er bloemen vielen uit de kersenboom,
toen er wielewalen van de twijgen wipten,
zei jij dat je blijven moest om je paard te sparen,
zei ik dat ik gaan moest en zijderupsen voeren.”

We beginnen op de Bloemenmarkt, tussen Singel en Koningsplein, dan gaan we naar de Kersenstraat in Noord, in dat Tuttifruttidorp. Aan de overkant van het IJ vinden we ook de Wielewaalstraat, in het deel van de Vogelbuurt waar de ambtenaren iets meer inspiratie hadden. Een Twijgstraat is er niet in Amsterdam, wel een Taksteeg. In de volgende regel is het raak met de Paardenstraat en de Spaarpotsteeg. Voor de laatste regel gaan we naar de Weesperzijde en het vlinderpaviljoen van Artis of naar de moerbeistraat, genoemd naar de plant die in andere talen de zijderups zijn naam geeft, de maulbeerspinner of bombyx mori. Het ‘zachte goud’ is ook in Amsterdam geweven, waardoor er een aantal huizen zijdeworm hebben geheten.

500 is 2020! Bij alle verschillen die er vanzelfsprekend zijn tussen hier en daar en toen en nu, tussen een Chinese keizer en een Hollandse journaliste, tussen de zesde eeuw en de eenentwintigste, we delen bloemen en kersen, vogels, paarden en zijde, verlangen en vergeefsheid.

Iets dichterbij in tijd en plaats, moet ook kunnen. Ik probeer Still I Rise te vinden, het intense gedicht uit 1978 van de Amerikaanse schijfster Maya Angelou dat onvertaald ook in Nederland is uitgegroeid tot een klassieker.

Cliostraat

De eerste regel brengt ons in Zuid, in de Beethovenbuurt waar een straat is vernoemd naar Clio, de muze van de geschiedschrijving. De tweede regel is te vinden in de Bloemenbuurt (Bitterzoetstraat), in de Draaijerijstraat en de Moddermolensteeg, die aangeeft dat die draaierijen herhaald en herhaald worden. De derde regel leidt via de Bullebaksluis naar de Kometensingel. Kometen bestaan uit stof en Angelou kunnen we eerder als een komeet dan als stof zien, als een ster, in Tuindorp Oostzaan en elders.

De tweede strofe begin in de Dollebegijnensteeg, en gaat door naar de Curaçaostraat, waar in de olieraffinaderij van Shell op 30 mei 1969 een grote opstand uitbrak. Een van de leuzen was pan i rekonosomentu (‘brood en erkenning’).

Voor de manen en de zonnen uit de volgende strofe kunnen we terug naar de Sterrenbuurt maar ook naar de Halvemaansteeg en naar de Mata Harihof - mata hari betekent ‘zon’ in het Maleis. Dan gaan we door naar de Zeedijk, die Amsterdam tegen de getijden moest beschermen. Naar hoop is in Amsterdam een straat vernoemd in de vorm van Joan Cornelis van der Hoop, een ironische naam in dit geval. Van der Hoop was directeur van de sociëteit Suriname, de particuliere onderneming die vanuit Amsterdam de kolonie beheerde. Angelou schijft hoop als meervoud dus nemen we er nog iets bij, de Kaapstadweg in Sloterdijk, vernoemd naar de stad bij Kaap de Goede Hoop, waar Jan van Riebeeck in 1652 een verversingspost stichtte voor de schepen van de VOC op weg naar Azië.

Voor de volgende strofe gaan we naar de Kreupelsteeg, naar de Martelaarsgracht en de Schreierstoren, daarna naar de Jesse Owenshof, de atleet die in 1936 vier gouden medailles won op de Olympische Spelen in Berlijn. In de volgende strofe mogen de namen van de mannen van wie rond de wereld standbeelden neergaan: Christoffel Columbus, Jan Pieterszoon Coen, Peter Stuyvesant en Witte de With, alle vier in West. Het sexy zijn brengt ons traditioneel naar de Wallen, maar we kunnen ook naar het Liefdesbruggetje in het Sarphatipark, en voor de diamanten is er de Transvaalbuurt, waar veel straten zijn vernoemd naar generaals en veldslagen uit de Boerenoorlog. In de jaren tachtig zijn er daar twee namen veranderd. Het Pretoriusplein werd Steve Bikoplein, naar de vermoorde Zuid-Afrikaanse vrijheidsstrijder. En er is de Albert Luthulistraat, president van het ANC in de jaren vijftig en zestig. Onder de naam staat nog een blauw bordje: „Voorheen Louis Bothastraat.” In de Bijlmer is nog een plein naar Luthuli vernoemd.

De ik uit Maya Angelous gedicht herrijst uit de hutten van de geschiedenis – die hier misschien niet eens door een steeg vertegenwoordigd moeten worden maar door een gang, zoals de Schimmelgang of de Armengang, de sloppen van Amsterdam. Voor geschiedenis nu geen Clio maar Oudekennissteeg. Pijn mag wel de Bloedstraat zijn.

Het zwarte water uit de één na laatste strofe is de Amstel, het IJ en het Noordzeekanaal, dageraad in de Nieuwe Nieuwstraat, in de Zonnehof en de Lumièrestraat. Wachterslied. Voor het herrijzen is er geen feniks, maar wel een suikerbek, een geeldas, een mus, een kolibrie, een valk. De giften van de voorouders zijn hier de straten vernoemd naar de leiders van opstanden van tot slaaf gemaakten in de Bijlmer: Tula en Carpata op Curaçao; Baron en Jolicoeur in Suriname. Binnenkort komen er meer bij: dankzij burgemeester Halsema krijgt IJburg een wijk met straten vernoemd naar strijders tegen de koloniale overheersing. Daaronder ook een aantal vrouwen, onder wie de tot slaaf gemaakte Virginie van Gameren en Virginia Dementricia.

Voor het herrijzen is geen feniks nodig, er is een putter, een pelikaan, een flamingo, een reiger, een troepiaal, een adelaar. Laat ze rijzen en dalen boven de stad, opstijgen van elke binnenplaats.