Brieven

Bericht gevonden op een afgedankte computer van 17 juni 2020

Kort verhaal Het is zo’n zomer waarin schrik wordt verspreid, waarin met schrik moet worden geleefd, waarin de een in en de ander buiten de economie leeft en een eenzame reiziger selfies maakt met dieren.

Manon Uphoff Foto’s Frank Ruiter, Getty Images

Lieve…

Wat een zomer, ach wat een hete zomer is dit. Nog niet eens echt begonnen, en nu al hels, terwijl we in onze huizen zitten en niet optimaal en vrij kunnen bewegen en alles om ons heen veranderd is. Ja, niet kunnen bewegen en opgesloten in dit huis ben ik maar een beetje aan het lezen geslagen. Aan de slag gegaan met mijn notities die zeker niet heel goed, maar op een dag misschien toch bruikbaar zijn. Veel aantekeningen gaan over wat me is opgevallen in de boeken die ik recent las. Stukken, passages, fragmenten die ik scherp vind, de moeite waard, en daarom graag opvat als door vrienden aan mij doorgegeven. Zeker omdat ik hier op 1 hoog nauwelijks contacten heb. Zodat ik ze dus maar beschouw als mijn gesprekken. Hoe dan ook, zo is deze zomer dus begonnen. Met stijgende temperaturen en met een klamme drukkende hitte die als een deken om iedereen heen hangt. Ik drink limonade door een rietje. Ik lieg, het is gemischt, een deel wijn, twee delen water, of twee delen wijn en een deel water. En er is al van alles gebeurd, er heeft zich al van alles voorgedaan. Voornamelijk zaken die voor een buitenstaander niet van groot belang zijn, maar die er voor mij toe doen. Zoals het feit dat mijn jongste zus een hartaanval heeft gekregen. Laat op de avond toog zij naar de huisartsenpost, waar ze duidelijk en goed gearticuleerd haar symptomen en klachten beschreef (zichzelf beheerst en volgens de richtlijnen uitdrukkend), ik herhaal, ja, duidelijk en goed gearticuleerd. Maar ze werd naar huis gestuurd met maagtabletjes en het vonnis dat het allemaal onzin was en dat ze hyperventileerde. Zodat haar hart in de lange en donkere nacht die volgde kalmpjes afstierf, waarna ze als een invalide ontwaakte met dit belangrijke orgaan nog maar voor een kwart in functie. Ja, zo’n zomertje is het. Een waarin je iemand duidelijk en goed gearticuleerd kan vertellen over je klachten, over de aard en symptomen van je ziekte. Over je gebreken, zorgen, angst en pijn. En de ander je grillige kwetsuren kan tonen, in al hun kleurrijke schakeringen. En waarin je je, ondanks je schrik, klaar en helder uit kan drukken. Maar waarin dit geen enkel effect sorteert of tot humaan handelen leidt. ‘U had een ambulance moeten bellen,’ zei de medewerker bij de balie en de arts bevestigde dit, maar op het idee om die dan in te schakelen kwamen ze toch niet. Ach, en het is zo warm en vochtig… de stofzuiger is ter ziele, en de kat heeft gisteren van onweersangst op de trap geplast, dus wij in de weer met doekjes en een afgekeurd parfum om net als vroeger de ene stank met de andere af te dekken en de dingen lijken eeuwig en zonder enige beweging, maar volgens mij zijn ze toch al aan het vergaan, verkruimelen en verschuiven… Ik lees Nana Kwame Adjei-Brenyah’s Friday Black. Een boek waar ik in was begonnen toen ik de naam George Floyd nog niet kende, en deze nog niet door honderdduizenden gescandeerd werd, en werd meteen getroffen door het verhaal ‘De vijf van Finkelstein’. Het heeft het volgende (fictionele) gegeven als basis. Vijf ongewapende zwarte tieners zijn op gruwelijke wijze vermoord door een witte huisvader die zich door hen ‘bedreigd’ heeft gevoeld. We volgen Emmanuel, een jonge zwarte Amerikaan, die ’s nachts wordt geplaagd door nachtmerries, dromen over de gedode ‘vijf’ (een van hen, het onthoofde meisje Fela, meldt zich bij hem) en bij het ontwaken bezig moet met waar hij dagelijks mee bezig moet. De schaal van zijn zwartheid zo bijstellen dat hij de dag enigszins veilig door kan komen. Een bijtend, snijdend, woedend en tegelijk liefdevol verhaal waarin voor wie wit is vooral een dystopie, voor wie zwart is een vertrouwde realiteit wordt neergezet. Ik maak notities en lurk mijn limonade, pardon, gemischt, door een rietje. Krabbel in mijn boekje en constateer dat mijn leven niet eens zo erg verschilt met vroeger. Behalve dat ik niet naar mijn zus kan om haar te omhelzen, terwijl alles nu toch naar mijn idee ernstig in beweging is… Ja, was ik jong dan zou ik misschien denken dat de boel voor het eerst zo aan het schuiven is. Me afvragen of we soms stomtoevallig met elkaar op dit verschoven stuk zijn terechtgekomen. Wij, de mensen in onze huizen, de mensen op straat. De mensen in de ziekenhuisbedden, de mensen buiten de ziekenhuisbedden. De mensen in de verpleeghuizen, in de mortuaria, in stinkende vrachtwagens in het hart van een stad. De mensen die graag schrik verspreiden, en de mensen die moeten leven in die schrik. De mensen in de economie en de mensen buiten de economie. De mensen die ruzie maken en bekvechten over wie het grootste recht heeft om (in geval van ‘moeilijke keuzes’) te mogen leven. En wie, bijvoorbeeld zwaarlijvig, of roker, of al methusalem genoeg om te sterven, maar beter zo beleefd en welgemanierd kan zijn om af te zien van de kostbare lucht die door anderen geclaimd wordt. Omdat ze ‘gezond’ en ‘jong’ als karaktereigenschappen beschouwen. Een deugd en morele overwinning op de blamage en schande van ziekte en ouderdom.

Ik maak notities en lurk mijn limonade, pardon, gemischt, door een rietje.

Soms zitten wij ’s avonds op het balkon. Omgeven door het uitbundige groen in potten en bakken kijken we uit over ongeschoren bermen waarin naast renners opvallend veel vechthonden te signaleren zijn. Boven het heerlijke geluid van de gierzwaluwen is het lawaai te horen dat, opstijgend uit de huizen, neerdaalt op de sociale media. Om vervolgens in je gezicht te slaan als hete stoom in deze gistende, kolkende zomer waarin alles opnieuw wordt gemeten en gewogen. Zoals wat voortaan de gepaste afstand tussen mensen zou moeten zijn. Een afstand die door een man in Amerika alleen ten diepste is opgeheven om (achteloos en onverschillig, een hand in zijn broekzak en zijn knie op een nek) het leven uit een andere man te drukken.

Ja, ik lees, maak notities deze zomer, verplaats me al lezend, kijkend, luisterend naar andere grimmiger plaatsen… Wat te doen? Op zoek naar gemoedsrust?

Op de verjaardag van mijn dochter stuur ik haar een filmpje van een jonge man, die alleenreizend, alléén selfies met dieren maakt. Een wezel, een lama, een ezel. Opgewekt en schrander kijken zij met hem de camera in.

Hoe dan ook, zo’n soort zomer is het. Waarin de dingen zich openbaren, de nachtorchidee die maar eenmaal bloeit zich ontvouwt en je voelt dat je deel uitmaakt van dit alles. Terwijl de muizen, voor de duvel niet bang, over de straten rennen, de kikkers kwaken in de stadsvijver, de vogels hun mobiele-telefoongeluiden maken, en je bij thuiskomst een citroen in tweeën klieft, de helft ervan uitknijpt in je glas en het appje van je zus leest die zegt dat ze graag een officiële klacht wil indienen en of je haar wilt helpen. Ja, verschuivingen, verschuivingen… Hoger dan ooit is het gras opgeschoten in donzige pluimen, en de gierzwaluwen krijsen dat we in beweging moeten komen, jaloersmakend wendbaar snijden ze door het zwerk, omdat we immers alle tijd van de wereld hebben gehad om te begrijpen dat de dingen, welbeschouwd, nog verre van in orde zijn.