Opinie

Nationale regie is nodig bij vestiging van kolossale datacentra

Wieringermeer en Zeewolde

Commentaar

Achttien seconden. Zo lang zou een gloeilamp van 60 watt kunnen branden op de energie die een zoekvraag aan Google kost, werd ruim tien jaar geleden berekend. Dat zal nu wat efficiënter gaan. Maar het wijst er nog steeds op dat het gebruik van internet en de bijbehorende diensten zeer veel energie kost.

De gebruiker zal zich dat niet altijd realiseren, maar achter de interneteconomie gaat een enorme energiehuishouding schuil. Het gebruik van internet is toegenomen en daarmee ook de opslag en verwerking van data. Bedrijven en veel burgers hebben inmiddels zelf terabytes aan cloudopslag beschikbaar, ver weg vastgelegd in anonieme datacentra.

Twee recente verhalen in deze krant, over de gemeenten Hollands Kroon en Zeewolde, brengen deze kwestie plotseling dichtbij. Nieuwe enorme datacentra (hyperscales) van Microsoft en Google in de Wieringermeerpolder trekken de ‘groene’ stroomvoorziening van windmolenparken leeg. De restwarmte van de centra zelf, beloofd als milieuvriendelijke oplossing voor de nabijgelegen kassen, waait inmiddels weg over het IJsselmeer. En de warmtecentrales van de kassen zelf draaien gewoon door.

In Zeewolde zijn de projecten in een vroeger stadium. Wat de twee kwesties verbindt, is dat de betrokken internetreuzen goede sier maken met de door Nederlandse huishoudens gesubsidieerde groene stroomvoorziening, terwijl de energiebehoefte van Nederland als geheel door de datacentra toeneemt. Dat laatste is niet overdreven: alleen al de geplande centra in Zeewolde zullen minstens tweemaal zoveel energie gaan gebruiken als alle huishoudens en bedrijven in Amsterdam samen.

Op deze manier wordt het steeds lastiger om de nationale doelen voor groene energievoorziening te halen. Want wat zijn die waard als het lokale bestuur zulke verstrekkende besluiten neemt?

Vestiging en ruimtelijke ordening worden grotendeels lokaal afgehandeld door gemeentebesturen die geen partij zijn voor de multinationals waar zij tegenover staan. Slimme lokale ondernemers pikken hun graantje mee. Uitgegeven grond, of grond die van bestemming verandert is van oudsher een inkomstenbron voor menig gemeente. Het is, juist door de winsten die kunnen worden behaald, ook een praktijk waarop heel goed moet worden toegezien.

Nu is die plaatselijke en regionale autonomie zelf een van de doelen geweest van de ruimtelijke ordening, met name sinds de Vierde Nota uit 1988. De regie kwam meer in handen van de regio’s, om de slagvaardigheid te vergroten en de positie van Nederland als vestigingsland en distributieland te verbeteren.

De plannen in Zeewolde beslaan een gebied aan datacentra dat vergelijkbaar is met 332 voetbalvelden. De gemeente wil de naam van de grote opdrachtgever pas bekend maken als de vergunningen onherroepelijk zijn. Dat is onbegrijpelijk voor een project van deze omvang en met zulke gevolgen voor de nationale klimaatdoelstellingen. Dat hoort in wezen helemaal niet meer op dit lage bestuursniveau thuis.

Nederland beroept zich op een goede reputatie op het gebied van ruimtelijke ordening. In de ‘Canon van de Ruimtelijke Ordening’ (ja, ook die bestaat) wordt voor binnen- en vooral ook buitenland gepronkt met 35 iconische voorbeelden. Van Mainport Schiphol tot de Oostelijke Mijnstreek. Het zou een goed streven zijn om de Wieringmeer en Zeewolde niet tot de iconen te laten uitgroeien van hoe het mis ging.