Opinie

Het systeem van de boosheid doorbreken

Tom-Jan Meeus

De oude Willem Drees bleek maandag uit de Canon van Nederland te zijn verdwenen, en dit maakte allerlei mensen boos. Je begreep het wel, al leek het er in sommige gevallen ook op dat de boosheid nogal goed uitkwam. Zo had je FVD-senator Annabel Nanninga, die Drees’ verwijdering „ongelofelijk” noemde. Volgens haar illustreerde dit „hoe slordig en oneervol wij omgaan met de groten uit onze geschiedenis”.

Dezelfde Nanninga geeft steeds af op ‘het cultuurmarxisme’, dus blijkbaar was het haar ontgaan dat Drees er nogal marxistische opvattingen op nahield, getuige bijvoorbeeld zijn pleidooi om van het bedrijfsleven grotendeels „gemeenschapsbezit” te maken (Ordening en socialisatie, 1945).

Nu moet je het belang van dit soort feitjes niet overschatten. Het gaat om de boosheid zelf: de grote woorden, de verongelijktheid. We kennen dit allemaal, want met boosheid kun je bekend worden. Maar op zeker moment gaat zo’n bekende boze te ver, of hij wordt voorspelbaar, en dan verliest hij zijn podium. Je hebt de indruk dat het met Johan Derksen bijna zover is. En toen voorzitter Geert Dales dit weekeinde wéér woedend vertrok bij 50Plus („bestuurlijke tuinkabouters”), zal ik niet de enige zijn geweest die dacht: we weten het nu wel, Dales.

Hoe droevig dit ook allemaal is – het biedt misschien ook hoop. Boosheid is, net als de grote bek, een systeem geworden. Maar dat hoeft niet zo te blijven. Zo heb je twee nieuwe kandidaat-lijsttrekkers, Hugo de Jonge (CDA) en Sigrid Kaag (D66), en je zult de komende tijd zien dat aan beiden van alles mankeert. Maar zij wekken wel de indruk dat ze voorbij de boosheid kunnen denken. De Jonge benadrukt het belang van een politiek centrum dat tegenstellingen overbrugt. Kaag noemt bondskanselier Angela Merkel als voorbeeld en moest zondag in Op1 reageren op zo’n kwaaie tweet van PVV-leider Geert Wilders over haar, en deed dit met superieure kalmte. „Sneu”, zei ze.

Ik dacht: dat is ook een manier. Het systeem van de boosheid doorbreken. Niet langer woede met woede beantwoorden. Partijen die aan coalities meedoen maken die keuze in feite natuurlijk ook, al zeggen ze dat zelden hardop, uit angst niet boos genoeg over te komen.

In Willem Drees. Wethouder van Nederland (Jansen van Galen en Vuijsje, 1986) las ik terug dat Drees op zijn levensavond bleef pleiten voor socialistische ‘gemeenschapsbedrijven’. Een ideaal dat in zijn premiersjaren (1948-’58) nooit nabij was gekomen. Maar hij werd er nooit boos over: hij accepteerde dat zijn stroming er geen meerderheid voor had.

Een democratiebesef dat nu bij bijna al die boze mensen ontbreekt – wat dat betreft is een blijvend plekje voor Drees in de Canon inderdaad zo gek nog niet.

Tom-Jan Meeus (t.meeus@nrc.nl; @tomjanmeeus) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Lotfi El Hamidi.