Opinie

Stijgende armoede kan worden bestreden met fiscale oplossingen

Armoedebeleid

Commentaar

Een kwart meer mensen in de armoede in 2035. Dat is wat er de komende jaren gebeurt als staand beleid niet wordt aangepast. Van 5,3 procent van de bevolking nu naar 6,8 procent over vijftien jaar. En dat is nog buiten de ongetwijfeld nadelige effecten van (de nasleep van) de coronacrisis gerekend. Tot die conclusie komen het Centraal Planbureau (CPB) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) vorige week in hun gezamenlijke studie Kansrijk Armoedebeleid.

De cijfers zijn schrijnend: het aantal mensen in armoede, dat nu al op ongeveer één miljoen staat, zal de komende jaren verder toenemen. Onder kinderen is de armoede het grootst. In 2017 leefde ongeveer 8 procent van de kinderen in een arm huishouden. Onder ouderen komt armoede het minst vaak voor, vooral dankzij de AOW: 3 procent van de ouderen was arm in 2017. Armoede is in het rapport gedefinieerd volgens het ‘niet-veel-maar-toereikend-principe’ van het SCP: die bevat naast de minimale uitgaven aan onvermijdbare, basale zaken zoals voedsel, kleding en wonen, ook minimale kosten van ontspanning en sociale participatie. Volgens het SCP is een alleenwonende arm als die persoon minder dan 1.135 euro per maand te besteden heeft.

Lees ook: planbureaus voorzien sterke groei van armoede door coronacrisis

Hoe kon dit gebeuren in een zichzelf welvarend noemend land? Simpel: er zijn politieke keuzes gemaakt. De doorrekening van CPB en SCP laat haarfijn zien hoe verstrekkend de gevolgen van beleid kunnen zijn. De toenemende armoede wordt voor het allergrootste deel veroorzaakt door een geleidelijke verlaging van de bijstand. En die is in 2011 door het minderheidskabinet Rutte I (VVD, CDA met gedoogsteun van de PVV) in gang gezet. Afgesproken werd dat de bijstand elk jaar tot en met 2035 iets verlaagd wordt, in totaal met 1.250 euro op jaarbasis. Het doel: het verschil tussen een uitkering en een baan te vergroten en werk aantrekkelijker te maken.

Hoe legitiem die wens ook was, de gevolgen van het beleid lijken op zijn zachtst gezegd ongewenste bijeffecten te hebben. Dan halsstarrig vasthouden aan een ideologie is niet de juiste weg.

Oplossingen zijn er gelukkig legio, en het is goed dat een groot aantal daarvan nu is doorgerekend, van klassieke tot zeer onorthodoxe. In zijn algemeenheid geldt de keerzijde van de medaille die destijds gold: hoe meer een overheid doet om armoede te voorkomen, des te slechter dat is voor de werkgelegenheid.

De simpelste variant, het terugdraaien van de verlaging, kost 1,9 miljard euro. Het positieve effect op de werkgelegenheid van de verlaagde bijstand verdwijnt dan ook. Meest in het oog springend is de variant waarbij iedereen (ongeacht de hoogte van het inkomen) een basisinkomen krijgt van 1.000 of 1.200 euro per maand. Dat debat wordt de laatste jaren steeds feller gevoerd, waarbij de voor- en tegenstanders eerder ideologisch dan empirisch tegenover elkaar lijken te staan. CPB en SCP hebben uitgerekend dat de armoede in het geval van een basisinkomen met 45 tot 60 procent afneemt, maar de werkloosheid schiet omhoog met 6 tot 8 procent (zo’n 600.000 banen). De totale kosten, 62 miljard euro, moeten opgebracht worden door de werkenden. Dat is een erg hoge prijs.

Kansrijker lijkt de introductie van een negatieve belasting: daarbij keert de Belastingdienst geld uit aan huishoudens die onder een bepaalde vooraf afgesproken inkomensgrens zakken. De armoede zou er 20 procent mee dalen, terwijl de werkgelegenheid nauwelijks wordt aangetast.

Juist deze variant van negatieve belastingen duikt ook vaak op als het gaat over hoe het probleem van de belastingtoeslagen kan worden opgelost. Die bleken fraudegevoelig en de uitvoering ervan is voor de fiscus eigenlijk niet te doen. Een nieuw kabinet zou er goed aan doen het armoedeprobleem en het toeslagenprobleem als een gezamenlijk dossier aan te pakken.