Opinie

Meesterwerk van Dylan?

Frits Abrahams

Het leek de afgelopen week wel een afgesproken wedstrijd tussen Bob Dylan en Neil Young: wie krijgt de meeste aandacht voor zijn nieuwste album, jij of ik? Ziedaar, twee iconen van de popmuziek op hoge leeftijd – Dylan 79, Young 74 jaar – en beiden nog even ambitieus.

Wie won? In zeker opzicht beiden. Zaterdagmiddag ging ik in de weinige platenzaken die er nog in Amsterdam zijn op zoek naar hun cd’s. De grootste platenzaak had alleen Dylans Rough and Rowdy Ways nog in voorraad en moest bekennen dat ze de belangstelling voor Youngs Homegrown hadden onderschat. In een kleinere platenzaak waren beide cd’s uitverkocht en zuchtte de eigenaresse: „Had ik maar meer ingekocht!”

Misschien is die schuchtere inkoop kenmerkend voor het gebrek aan zelfvertrouwen bij de huidige platenzaak: de concurrentie van de streamingdiensten is te groot geworden. Zelf mag ik nog graag de cd’s van mijn favorieten kopen, maar toen het met Homegrown niet lukte, ging ik thuis zonder schuldgevoel vreemd op Spotify, waar ik al eerder Rough and Rowdy Ways had beluisterd.

Andere vraag: wie wint het op deze nieuwe albums in kwalitatief opzicht? Young, vind ik, maar ik ben vooringenomen: hem heb ik altijd de indrukwekkendste van de twee gevonden. Mooiere melodieën, intensere zang. Dylan kán schitteren, vooral de jonge Dylan, maar ik heb vaak moeite gehad met de eentonigheid van veel van zijn nummers.

Bij de recensenten zie ik een omgekeerde vooringenomenheid: Dylan kan geen kwaad doen, Young wordt zuiniger behandeld. Dat er bij Youngs nieuwe cd niet hemelhoog gejuicht wordt, begrijp ik. Homegrown viel mij ook niet helemaal mee. Van de twaalf nummers zijn er maar zeven nooit eerder uitgebracht en bij die zeven zitten ook nog enkele zwakke songs. Gelukkig is op deze oude opnamen ook een Young in beste doen te horen, vooral in ‘Kansas’ en ‘Separate Ways’.

Ik besef dat ik nu aan een vorm van godslastering begin door vast te stellen dat Rough and Rowdy Ways van Dylan een overschatte cd is. De kritiek vond het eensgezind een „verslavend meesterwerk”, maar ik was opgelucht toen hij afgelopen was. Ik verveelde me, op enkele nummers na: ‘I’ve Made Up My Mind to Give Myself to You’ en ‘Mother of Muses’, al zingt hij vooral het laatste beroerd.

Verder ploegt Dylan zich praatzingend door nummers die te veel op elkaar lijken en eindeloos duren. De teksten worden briljant genoemd, maar als ik me aan briljante poëzie wil laven, pak ik Slauerhoff of Bloem wel. Bij muziek gaat het mij, vreemd genoeg, in de eerste plaats om muziek. En die is bij deze Dylan saai, sloom en sleets.

Maar Dylan kan het zich veroorloven. Hij is heilig verklaard. Als hij zich drie platen lang op onbedoeld koddige wijze aan de muziek van Frank Sinatra vergrijpt, zuchten de critici vol bewondering dat hij zich steeds weer ‘vernieuwt’. „Missie geslaagd”, schreef een van hen destijds. Ik hoop dat Dylan zich nog eens op het repertoire van Frans Bauer zal storten, zodat we van zijn bewonderaars te horen krijgen dat ‘Als een moederhart moet huilen’ nog nooit zo’n „schrijnende, inspirerende vertolking” heeft gekregen.

Een plaat als Rough and Rowdy Ways een meesterwerk noemen, getuigt van te weinig respect voor de echte meesterwerken die zo’n artiest in zijn beste jaren heeft gemaakt.