Opinie

Klaproos

Marcel van Roosmalen

Mijn zus belde, het ouderlijk huis moest nu echt leeg en met ‘echt’ bedoelde ze ‘echt’. Zij en mijn zo goed als blinde broer hadden de meeste arbeid al verricht. Kasten gesloopt, spullen van boven naar beneden gesleept, dingen gesorteerd; alles zat zo’n beetje in dozen. Ik had op afstand aangemoedigd. Het was goedbeschouwd niet meer dan redelijk dat mijn broer was benoemd tot ‘tweede contactpersoon’ waarmee hij het bezoekrecht verwierf – leve de versoepeling – om eens per twee weken een kwartier bij haar langs te gaan in het tijdelijke verzorgingstehuis, en dat ik nog steeds was veroordeeld tot zwaaien vanaf het gras.

De spullen waarvan ze dachten dat ik er misschien interesse in had, stonden in dozen voor de verwarming in de woonkamer van het ouderlijk huis, de rest was opgestapeld in de schuur. Ze had gehoord dat ik naar Velp kwam om eigen werk te signeren, wellicht dat ik de moeite kon nemen om daarna even te kijken want maandag kwamen de mensen van de kringloop, dinsdag stond er een container voor de overgebleven troep en woensdag werd er een schoonmaakploeg doorheen gejaagd zodat de verkopende makelaar de dag erop foto’s kon maken

Ik haalde de sleutels bij Patrick, overbuurman en fanatiek Vitesse-supporter.

Het huis rook een beetje, de kraan stotterde bij het handenwassen.

Ik vond een spreekbeurt over treinen die ik had gehouden op de lagere school, schoolrapporten, foto’s van familiefeesten waarop ik alle doden nog een keer zag eten, een Mariaprentje dat naast het bed had gehangen en een boekje over het huis. Ze gingen in 1969 iedere week kijken of het al opschoot met de nieuwbouw. Onderschrift bij de laatste foto: ‘Zo, het dak zit erop.’

De nieuwe buren hadden haar en onze afwezigheid gebruikt om een metershoge muur tussen hun tuin en die van mijn moeder te bouwen. Waarom gaan spullen die het jaren doen opeens stuk als ze een paar maanden niet gebruikt worden? De wasmolen was uit elkaar gevallen, in de zonwering zat een scheur en in de regenpijp een knik. In de schuur stapels dozen en troep. In de achtertuin, op de plek waar ze altijd zaten – hij dommelend boven een boek, zij achter een kop thee – was een klaproos tussen de tegels omhooggekomen.

Ik zag er mijn moeder in, die maar gewoon doorgaat met leven in toch wel kansloze omstandigheden. Ze schreeuwde in mijn gezicht: ‘Ook zonder aandacht ga ik door’, binnenkort maar weer zwaaien.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.