Opinie

Ik geloof in de waarde van een bestaan

Marjoleine de Vos

„Onze generatie heeft behoefte aan geloof,” hoorde ik een twintig jaar jongere schrijver zeggen. Geloof in iets wordt altijd zo snel verdacht gemaakt, zei hij. Systemen zouden in dwang ontaarden, geloof tot dogmatiek leiden, zo zien oudere generaties dat. Wij niet. Wij zijn tegen cynisme.

Ik ben ook tegen cynisme. En ook mijn generatie kende, toen die generatie jong was, mensen die behoefte hadden aan geloof. Mijzelf bijvoorbeeld. Al zei ik net zo min als deze jongere schrijver waarin ik dan precies wilde geloven.

Ja, de gebruikelijke stuff. Goedheid, liefde, vrede. Rechtvaardigheid. Bwgh.

Dat wil iedereen wel en tegelijkertijd hoef je eigenlijk nergens in te geloven als je deze woorden de lucht in gooit, al gloeien we van de kracht waarmee we die woorden uitspreken, van het vuur dat ons bezielt, van ons hoogst abstracte geloof.

Welk geloof.

Ik begreep de jongere schrijver wel. Denk ik tenminste. Hij wilde de wereld anders hebben en wie niet. Ineens leek zelfs minister Hugo de Jonge de jonge schrijver wel te begrijpen toen hij meedeelde dat „het neoliberale mensbeeld en het ongebreidelde marktdenken” aan het eind van hun tijd gekomen waren. Wat mij betreft hadden ze hun tijd nooit moeten hebben, maar het is beter om te doen of dat wel zo was maar nu niet langer het geval is. Anders is men geen serieuze gesprekspartner maar een linkse gek, een gelovige in – bwgh – ‘een rechtvaardigere wereld’.

Ik las een andere jonge schrijver, de dichter Frank Keizer, die schreef dat hij „een woord zocht voor de weg waarop jij en ik en zij/kunnen lopen niet de startbaan waarop we alleen maar werden voortgejaagd”. Hij schreef over de wereld als een bos, en de hoop op een ‘klaarte’ daarin, maar er is geen bos (meer) en er is geen klaarte ook al stroomde licht toen hij dat woord gevonden had „heel mooi het gedicht binnen”.

Woorden. We kennen ze wel. Graag bereid tot een mooi momentje, een visioen, een hoopvolle uitweg, maar verder heb je er niet altijd zoveel aan.

Waar willen we dan zo nodig in geloven? Toch in die rechtvaardigere – o bah. Ja. Toch. En dus wil ik graag geloven dat De Jonge meent wat hij zegt en dat we allemaal ongelooflijk genoeg hebben van dat andere geloof, het geloof dat serieus heeft gedacht, oh járenlang, dat wat goed was voor ‘de markt’ ook goed was voor alle mensen, ook al zag iedereen voor zijn ogen dat het niet zo was. Dat de markt het prima vond om ladingen plastic wegwerprotzooi te produceren of de hele stad te overwoekeren met Nutella of alles zinloos te verklaren wat geen geld opbracht – geen opsommingen graag.

Aan dat geloof is geen behoefte meer. Toch zat ook daar zo’n groot woord achter: welvaart. Wij hier in het Westen zijn onmiskenbaar welvarend, maar als we er nog een paar andere dingen bij halen (rechtvaardigheid!) dan blijft er niet veel over om in te geloven.

Ik weet trouwens niet of ik gelóóf in rechtvaardigheid, geloof lijkt me daar niet het woord voor. Ik geloof wel in dat er zoiets bestaat als waarde op zichzelf. De waarde van een bestaan, niet omdat het geld oplevert maar omdat het is. De veldleeuwerik. De oude vrouw in de zon. De poort van Nineveh. De sierlijke handbeweging van een danser. Schoonheid. Vriendelijkheid. Tederheid. Zonder systeem, daar hebben de jonge schrijvers wel gelijk in, blijven het lege woorden, die nog iets zweverigs hebben bovendien. En toch, schrijft Frank Keizer, is het soms of je iets hoort opklinken „waar je bij wilt/ horen al is het hoogstens iets gefluisterds om niet het woord gemeenschap te gebruiken”.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.