Recensie

Recensie Beeldende kunst

Gentrificatie en de dood van een dakloze

Tentoonstelling In de tijd van #metoo, klimaatprotesten en anti-racismedemonstraties ziet het Frans Hals Museum actualiteit voor drie exposities over institutionele kritiek. De eerste gaat over de betekenis van het beeld in digitale tijden.

De expositie Beeldmacht, links werk van Marlon Mullen en rechts Cole Speck & Beau Dick
De expositie Beeldmacht, links werk van Marlon Mullen en rechts Cole Speck & Beau Dick Foto Gert Jan van Rooij

Bankiers, journalisten, politieagenten en politici mogen gratis naar binnen bij het Frans Hals Museum aan de Grote Markt in Haarlem. Dan moeten ze wel een visitekaartje achterlaten, is de instructie bij de balie. Dat kaartje mogen ze in de entreeruimte onder het tapijt stoppen.

Dit deurbeleid is een kunstwerk, van Florence Jung (1986). Het is ook een schoolvoorbeeld van ‘institutionele kritiek’ als kunststroming: kunstwerken die gaan over de rol van kunst als instituut. Jung wil laten zien wat – en vooral wíé – een museum nodig heeft: geld (en dus bankiers), aandacht van de pers (journalisten), vergunningen (politie) en een politieke lobby (politici). Voor de meeste bezoekers zijn die bestaansvoorwaarden niet zichtbaar. Je mag dus gissen naar wat er onder het tapijt ligt.

Christine Wang, Death, 2015. Acryl op doek. Foto Gert Jan van Rooij

Beeldmacht is het eerste deel van drie exposities over institutionele kritiek die het Frans Hals de komende maanden programmeert. De tijd van #metoo, grootschalige klimaatprotesten en anti-racismedemonstraties vraagt om een nieuwe blik op kritische kunst, redeneert het museum. Daarin staat het niet alleen, ook het Amsterdamse Stedelijk heeft een expositie over institutionele kritiek in voorbereiding.

Een historisch overzicht van institutionele kritiek in de kunst geeft de expositie in het Frans Hals niet, al is er wel een overzichtelijke tijdlijn op de bovenste verdieping. Daar worden kunstwerken van onder meer Marcel Duchamp (1917), Hans Haacke (1970), en de Guerrilla Girls (1988) genoemd. Het is jammer dat die tijdlijn pas aan het eind komt, want de term institutionele kritiek zal niet iedereen aanspreken, maar de vragen die gesteld worden wel. Wat is kunst? Hoe neutraal is het museum? En wat is de rol van vrouwen in de kunst?

Snijdende satire

Beeldmacht biedt, verspreid over drie verdiepingen, zo’n dertig bestaande en speciaal voor de expositie gemaakte nieuwe werken die gaan over de rol van ‘het beeld’ (de twee latere exposities zullen gaan over ‘representatie’ en ‘structuren’). Soms is die thematische opzet verwarrend: want wat doet Andrea Frasers snijdende satire van speeches op een tentoonstellingsopening (Official Welcome, 2003), precies onder het subkopje ‘Kunst in tijden van sociale media’?

Aangrijpend actueel is een van de schilderijen van Christine Wang: zij schilderde in zacht zwart-wit een nieuwsfoto na van politiegeweld tegen een Afrikaans-Amerikaanse man in Los Angeles. In sierlijk zwierige letters schreef ze erboven ‘on behalf of gentrifying artist’. Ze legt ermee de wrange link tussen de dood van deze dakloze man en het verder gentrificeren van de buurt met de komst van nog meer hippe kunstenaars.

Louise Ashcroft, Dead Relevant, 2020, video-animatie. Foto Gert Jan van Rooij

Briljant is de hyperactieve video vol internetgrapjes Dead Relevant (2020) van Louise Ashcroft. Daarin reist de zeventiende-eeuwse Nicolaes Woutersz van der Meer als .JPEG-afbeelding over het internet, nadat zijn portret uit de collectie van het Frans Hals Museum door het Hoofd Communicatie is geüpload naar de museumwebsite. Online treft ‘Nic’ hackers, slijmvloggers en door Poetin bestelde ‘anarcho-feministische bots’. Tot in het uiterste worden in Dead Relevant het ernstige van het museum en de sublieme verstrooiing en polarisering van internet tegen elkaar uitgespeeld.

Sylvie Fleury, Couture Palettes -Ballets Russes, 2018. Acryl op doek op hout. Foto Gert Jan van Rooij

Lang niet alle werken slagen erin zo te ontregelen. Van Sylvie Fleury hangen op de eerste verdieping grote glinsterend geschilderde kleurvlakken. Het zijn sterk vergrote make-updozen, die vragen moeten oproepen over kunst als ‘luxe-industrie’. Ze doen inderdaad denken aan de platte ‘eye-candy’ die je op sommige kunstbeurzen ziet. Maar nadoen is een vrij tandeloze vorm van kritiek.

Spannender is het werk van Cole Speck. Hij plaatste een traditioneel Canadees houten bevermasker in een winkeltasje van Hudson’s Bay. Een voorloper van de huidige retail-multinational had vroeger namens de Britten zeggenschap over bijna 40 procent van Canada, en ruilde kostbare bevervellen van de lokale bevolking voor simpele wollen dekens. Het pijnlijke hier is dat een bevermasker zoals dit van Speck een spirituele betekenis heeft, maar hier wordt gereduceerd tot consumptieartikel.

Best een aantal werken uit Beeldmacht zetten je op deze manier aan het denken over de rol van kunst, maar bij veel werken blijft het bij illustratie van een fenomeen. Je wenst meer kunstwerken zoals rondom de zeventiende-eeuwse ‘Nic’ op zijn internet-odyssee. Je wenst meer kunstwerken die de kunst flink van de sokkel blazen.