Hoe het plexiglasscherm Nederland verovert

Afscherming Opeens staat het land vol plexiglasschermen. En denk maar niet dat die snel weer verdwijnen. De fysieke veiligheid speelt weer een hoofdrol, maar de spontane interactie verdwijnt.

Werken aan coronaschermen bij het bedrijf Eiso Bergsma in Abcoude. Onder: directeur Remco Janowitz.
Werken aan coronaschermen bij het bedrijf Eiso Bergsma in Abcoude. Onder: directeur Remco Janowitz. Foto’s Bram Petraeus

Een van de bestsellers in de nieuwe coronalijn is het ‘kaart- of spelletjestafelscherm’. Een kruisvormig model met een uitsparing in het midden, bedoeld voor vier personen. Het scherm is opvouwbaar en met één vingerknip klapt Remco Janowitz het open. „Ik wist niet dat zoveel mensen bridgen in Nederland.”

Janowitz is directeur van Eiso Bergsma, dat al vele jaren producten maakt van acrylaat – ook wel plexiglas of perspex, beide merknamen. Loop mee door zijn werkplaats in Abcoude en je ziet er een bonte verzameling meubels, lijsten, displays, logo’s, lampenkappen en oneindig veel awards. Van die certificeringsawards met teksten als ‘Select partner van …’ of ‘Aangesloten bij …’, te vinden op de balies van kantoren en hotels.

Maar toen kwam de coronacrisis. Balies werden leeg geveegd en awards maakten plaats voor schermen. Ze heten spat-, kuch-, spuug-, preventie- of coronaschermen en in een mum van tijd, alsof ze al ergens voorradig waren, was het hele land opgetrokken uit plexiglas. De schermen verschenen in winkels, de horeca, taxi’s en kantoren. Ze zien er soms wat provisorisch uit. Ze hangen wel eens scheef, detoneren met het interieur of zijn slordig vastgeplakt met tape. Alsof ze slechts tijdelijk zijn, en gelukkig maar, denkt de passant. Want tijdelijk zijn ze, toch?

Bij de kapper staan de schermen tussen de stoelen

Janowitz vervolgt zijn rondleiding. „Die standaardschermen zijn simpel te maken, daar hebben we er duizenden van verkocht.” Hij toont een gezichtsmasker van acrylaat, ook zo’n hardloper, „voor de thuiszorg, de medische wereld”. Wijzend naar een kap van plexiglas met twee gaten erin waar je je armen doorheen kunt steken: „Voor de opmaak, gezichtsmassages”. Op de grond ligt een plexiglas-scherm van 20 centimeter hoog dat normaal gebruikt wordt als tafelscherm in de bezoekersruimte van een gevangenis, om smokkel te voorkomen. Dat scherm wil de opdrachtgever nu opgehoogd hebben tot anderhalve meter, „vanwege corona”.

Hoe tijdelijk zijn de schermen nog? In opdracht van een gemeente werkt Janowitz aan permanente schermen voor in de raadszaal. „Dat moet een mooie, structurele oplossing worden, passend in het interieur.” Ook een luchthaven vroeg hem naar schermen voor de lange termijn en met kantoren denkt hij mee over schermen die met metalen beugels zijn geïntegreerd in het bureau. Niks geen plakband meer. Opdrachtgevers kiezen steeds vaker voor schermen die blijvend zijn. Ze kiezen voor veiligheid, zekerheid. „Ze denken: na corona komt er vast weer een ander virus.”

En zo verovert plexiglas het land, de wereld. Een glansrol tegen wil en dank.

PMMA is zijn scheikundige naam. Een natuurproduct, aardolie, dat zoals elk plastic is vervaardigd uit monomeren die in combinatie met andere monomeren zijn aaneengeregen tot een polymeer, als een ketting van miljoenen kralen. „Hoe meer kralen je aaneenrijgt, hoe sterker het materiaal”, zegt Thea van Oosten, voormalig conserveringsonderzoeker kunststoffen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amsterdam.

Acrylaat werd ontwikkeld in de jaren twintig van de vorige eeuw en in 1933 als Plexiglas door een Duitse firma op de markt gebracht. Zijn de meeste plastics uitbundig, opvallend, zoals verpakkingen bedoeld om klanten te lokken, plexiglas is bescheiden, onopvallend, dikwijls functioneel gebruikt. Niemand die het verzamelt – daarvoor is het te ‘gewoon’.

Maar vergis je niet in de kracht ervan, zegt Van Oosten. Tálloze plastics zijn er in de loop der jaren ontwikkeld, velen redden het niet. Denk aan cellulosenitraat, dé uitvinding van de vorige eeuw - onder meer siervoorwerpen werden ervan gemaakt. „Hoor je niks meer van.” Het materiaal bleek brandbaar en ging, zoals vele plastics, in de buitenlucht snel kapot. Of bakeliet, bekend van die oude, zwarte telefoons. „Wie gebruikt dat nog?”

Sterk, licht, goedkoop, duurzaam

Plexiglas was een blijvertje. Het is een sterk plastic. Licht, goedkoop, duurzaam, makkelijk te vervormen, veelzijdig en net zo helder als glas. Het krast wat sneller, maar in duizend stukken breekt het niet.

Juist die laatste eigenschap komt van pas. In de Tweede Wereldoorlog werden de koepeltjes over de cockpits van gevechtsvliegtuigen gemaakt van plexiglas, om bij inslag niet te versplinteren in het gezicht van de piloot. Plexiglas vond zijn weg als toepassing voor aquaria, autolampen, dakramen, vliegtuigraampjes, veiligheidshelmen, maatbekers en ook in de kunstwereld is het geliefd. Remco Janowitz maakt er plexiglas-vitrines, -kappen en -lijsten voor musea mee. Zo leverde zijn bedrijf de kaplijst en voorplaten die La perruche et la sirène, een 7,76 meter breed kunstwerk van Henri Matisse in het Stedelijk Museum beschermen.

Geen wonder, zeggen de plastic-kenners, dat plexiglas dé oplossing is in coronatijd. Je kunt elkaar met een ‘spatscherm’ aankijken zonder kans op besmetting. Wel én geen contact, dat is de crux. En zo zijn er vele bedrijfjes die zich op de nieuwe markt hebben gestort. Ze adverteren met teksten als „Bescherm uw klanten met onze plexiglas kuchschermen!” Ook bij Eiso Bergsma stond de telefoon de afgelopen maanden roodgloeiend. In sommige weken haalde Janowitz zo’n 90 procent van zijn omzet uit de verkoop van de schermen.

Bekijk hier een fotoserie over de gevarieerde inzet van plastic in heel Europa

Maar vraag hem op de man af wat-ie nou echt van de nieuwe coronamarkt vindt, en zijn antwoord is: mwah. „We moesten wel, om te overleven”, zegt hij. „Alle andere opdrachten vielen weg.” Toen corona oprukte was niemand meer bezig met vitrinekasten, displays of awards. Maar nadenken over het verlijmen van plexiglas-letters vindt hij veel leuker dan de fabricage van zo’n scherm. „Daar is geen kunst aan.” En zelf rondlopen met een plexiglas-masker doet hij „liever niet”. Janowitz is een ondernemer. Hij past zich aan, schikt zich naar de wensen van de klant. „Dat is de evolutie.”

En die evolutie neemt soms een rare wending. Tot vóór de coronacrisis waren plexiglas-schermen juist not done. Het GVB in Amsterdam had ze omwille van de sociale veiligheid in 2017 juist verwijderd uit de trams. Controleurs namen plaats achter een open balie. Doel: meer contact met de reiziger. Om dezelfde redenen werden ook in postkantoren, tankstations en bij overheidsdiensten de barrières van plexiglas beslecht.

Want wie écht contact wil maken met de ander, was het idee, zal risico’s moeten nemen. Die zal zichzelf kwetsbaar moeten opstellen, de ander vertrouwen. „Denk aan lastige gesprekken bij de sociale dienst”, zegt Justus Uitermark, socioloog en geograaf aan de Universiteit van Amsterdam. „Die verlopen beter zonder scherm, als een medewerker verbinding weet te maken met zijn cliënt.”

Leek de sociale veiligheid het in de samenleving te winnen van fysieke, met de coronacrisis werd alles anders. Een wereld opgetrokken uit schermen, Uitermark kijkt ernaar „met een zeker chagrijn”. Het scherm schept afstand. Dat is ook de bedoeling, maar het houdt behalve het virus ook sociaal contact tegen.

Justus Uitermark denkt aan zijn zoontje, met wie hij in de pré-coronatijd vaak naar de bakker ging. Dan kreeg-ie iets lekkers aangereikt vanachter de toonbank. Een stukje rozijnenbrood, geen koekje, want de bakker wist dat zijn zoontje allergisch is voor ei. „Laatst kwamen we de vrouw van de bakker tegen op straat en ze herkende mijn zoon. Ze wist nog van zijn allergie en we raakten in gesprek. Ze vertelde over de buurt, dat ze er al sinds 1966 woont en dat er zoveel is veranderd.”

Dat gesprek, denkt hij, had nooit plaatsgevonden als het ritueel met dat rozijnenbrood er niet was geweest. Maar hoe kunnen rituelen plaatsvinden als de toonbank is opgetrokken met plexiglas?

Een grens

„Interactierituelen” noemt Uitermark het aangaan van „emotionele verbindingen” in de openbare ruimte. Je volgt elkaars blikken en bewegingen en „synchroniseert”, komt „in elkaars ritme”. Zulke rituelen markeren wie in dezelfde ruimte aanwezig is en wie meedoet en wie niet. „Met een scherm markeer je die grens. De persoon achter het scherm bevindt zich in een andere ruimte.”

Waarom we het café nodig hebben

En wat je dan mist, zegt hij, is het contact met vreemden. Mensen die je spontaan tegenkomt en waarmee je een interactie hebt omdat ze toevallig gebruik maken van dezelfde ruimte. „Zulk contact is van belang, omdat vreemden vaak minder op ons lijken. Je ontmoet mensen uit andere sociale milieus en door contact kun je over groepslijnen heen denken. ”

Waarom, zegt Uitermark, kijken we liever samen naar het voetbal dan alleen? Waarom gaan we naar het café, terwijl de koffie thuis ook prima is? „Je wilt tegen een vreemde kunnen zeggen: goh, kun jij die krant even aangeven? Juist de aanwezigheid van anderen maakt het café tot een interessante plek.” Interactierituelen, zegt hij, geven emotionele energie. „Je kunt geïnspireerd raken door elkaar, opgezweept.” En juist dat, merkt Uitermark, missen mensen in deze tijd. Door het optrekken van coronaschermen, maar ook door het gemis van interactie op kantoor, in de zorg, het – nu digitale - onderwijs. „Bij mijn studenten zie ik dat in extreme mate. Laatst zei er één: ‘ik vraag me af of ik nog wel studeer’.”

Begrijp hem niet verkeerd, het gebrek aan „góéde” interactierituelen is niet desastreus. Contact met gezin, vrienden en familie is belangrijker, zegt Uitermark. Maar al die schermen maken het leven in zijn ogen „nét iets armoediger”.

Afbreken dan maar? „Dat is de paradox. Nu de besmettingsgraad daalt, denkt iedereen: waar doen we het nog voor? Maar misschien daalt de graad juist omdát de aanpak zo effectief is?”