Opinie

Grote gebaren aan een te krappe tafel

Dagboek Coronavirus

De Milanese intellectuelen kwamen. We kregen bezoek van mijn grote vriend Francesco Virga, de Italiaanse coproducent van de verfilming van mijn roman La Superba, zijn vrouw Sarah, die wij Sarah Parker noemen en die iedereen die ergens belangrijk om is persoonlijk kent, en hun vrienden Paolo en Antonella, zij een architecte die recent is gescheiden van een Russische multimiljonair en hij tevreden met zijn glas.

We namen hen mee naar Rossovino op Piazza Lavagna en het plein veranderde door hun aanwezigheid, zoals een verzameling porseleinen vingerhoedjes verandert met de komst van een kat.

Met expansieve hartelijkheid zaten zij uitbundig te negeren dat zij uit de grootste besmettingshaard van het continent kwamen. Stella en ik waren geschokt. Ze brachten de sociale en politieke implicaties van de lockdown ter sprake met te grote gebaren aan een te krappe tafel. De dreiging van het virus werd door hun virtuoze gedachte-experimenten lachend vermalen tot een theoretische abstractie. Stella kroop steeds dichter tegen mij aan in een poging om afstand tot hen te bewaren.

Antonella boog zich naar voren om ons te vertellen hoe vreselijk zij de quarantaine had gevonden. Meer dan drie maanden had zij in huis gezeten met haar dertienjarige dochter, die al die tijd, zoals een dertienjarige betaamt, vooral had doorgebracht op haar eigen kamer. Ze had verhalen gehoord en gelezen van ouders die dankzij de quarantaine een hechtere band hadden ontwikkeld met hun kinderen. Ze was jaloers. Haar was het al die tijd nauwelijks gelukt om een gesprek te hebben met haar dochter. Ze voelde zich schuldig.

„Ik ben zo blij dat ik weer onder de mensen ben,” zei ze. „En ik wil niet meer aan het virus denken, want anders heb ik geen leven meer.”

Ik begrijp het, lieve Antonella, maar vind je dat niet egoïstisch van jezelf?

Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer woont in Genua. Op deze plek schrijft hij over de impact die het coronavirus heeft op het leven daar.