Recensie

Recensie Boeken

Een wervelend boek over het jaar 1000

Globalisering De Amerikaanse historica Valerie Hansen schreef een fascinerend boek over het jaar 1000. In die tijd negeerde de wereld het saaie West-Europa. Want buiten ‘ons’ continent vonden razend interessante, wereldveranderende ontwikkelingen plaats.

Het beroemde jaar 1000 is ongeveer het saaiste jaar ooit – tenminste in de West-Europese geschiedenis. De Karolingische tijd is voorgoed voorbij, sterke nieuwe structuren zijn nog ver te zoeken, al staat het Duitse keizerrijk er niet slecht voor. De riddertijd moet nog opstarten, hoofse cultuur is er niet en zelfs de áánloop naar de ‘Renaissance van de twaalfde eeuw’ moet nog beginnen. Overal bossen, er zijn akkers, steden komen aarzelend op, handel trekt aan, kloosters gaan zich organiseren – dát is ons continent in het magische jaar 1000. Zelfs het idee dat Europeanen bang waren dat de wereld in dat jaar zou eindigen, is een later verzinsel.

Maar dan de rest van de wereld! Daar is de globalisering in volle gang, die de basis vormt voor de tijd waar we nog steeds helemaal inzitten. Dat is de stelling van de Amerikaanse historica Valerie Hansen (1958). En in haar fascinerende en wervelende boek over het jaar 1000 maakt zij dat alleszins aannemelijk.

Hansen bespreekt uitvoerig grote handelsroutes in de Amerika’s, de Chinese handelaren die naar Australië gaan, én ook de opkomende steppe-rijken van Centraal-Azië. Die Seljoek-Turken, Karachaniden, Samaniden en Ghaznaviden bekeren zich rond het jaar 1000 ook allemaal tot de islam, een krachtig teken van internationalisering. Want bekering tot een ‘grote godsdienst’ leverde toen nieuwe bondgenoten op en stabiele handelscontacten. In Afrika gebeurt in deze tijd hetzelfde. Dit is de fase waarin de islam niet langer met verovering maar door beslissingen van koningen wordt uitgebreid.

Grote godsdiensten

Het bekeringsfenomeen is breder dan alleen de islam. En dat is gelijk de tweede interessante these van Hansen: dat door de toenemende contacten de grote godsdiensten een belangrijk fase van uitbreiding doormaken in deze tijd. De Scandinavische en Poolse koningen kiezen voor katholicisme, de Viking-Russen van Kiev en de Wolga-Bulgaren gaan over tot het Byzantijnse christendom. In Korea, Japan en het Noord-Chinese rijk van Liao ontstaat een soort boeddhistisch blok. Het hindoeïsme bereikt in deze tijd Indonesië, net als het boeddhisme, dat ook al populair wordt in Noord-Azië.

Met al deze grote lijnen wemelt Hansens boek óók van de interessante details. Bijvoorbeeld over een economische transformatie in Zuidoost-Azië, waar vrij abrupt een infrastructuur op poten wordt gezet voor de internationale handel in wierook en andere reukmiddelen die daar goedkoop kunnen worden geproduceerd en héél populair zijn in Japan en China. En Hansen neemt zelfs de mogelijkheid serieus dat op drift geslagen Noormannen gevangen zijn genomen door Maya’s in Midden-Amerika – een ongehoord internationaal contact. Het zóu kunnen, maar de enige directe aanwijzingen zijn Maya-tekeningen van gevangenen met haar dat blond lijkt en ogen die blauw zijn. Zoals Hansen schrijft: het wachten is op een opgraving van Scandinavische voorwerpen op Yucatan. En op Afrikaanse voorwerpen op dezelfde plek.

Goudhandel

Veel van de wereldhandel is af te leiden uit beschrijvingen van islamitische reizigers en geografen, maar veel blijkt ook uit archeologische opgravingen. Zoals een verlaten karavaanvracht in West-Afrika, op de grens van Mali en Mauretanië: 900 kilo brons en 4 kilo kaurischelpen uit de Malediven, ver weg uit de Indische oceaan. En in Igbo-Ukwu, in Oost-Nigeria, rond het jaar duizend: 100.000 glazen kralen - zeer waarschijnlijk uit India.

Al-Bakri, een geograaf uit Cordoba, schrijft in de elfde eeuw over het enorme belang van de goudhandel met Afrika – al wordt de herkomst van het goud door de Ghanese en andere West-Afrikaanse koningen zorgvuldig geheim gehouden. Volgens moderne schatting werden in de eeuwen rond het jaar 1000 jaarlijks twee à drie ton goud door de Sahara vervoerd naar handelaren in het noorden. Toen begin 14de eeuw koning Mansa Musa van Mali op bedevaart naar Mekka ging strooide hij onderweg zo royaal met goud dat in Egypte de goudprijs flink daalde. Volgens moderne schattingen had Musa (‘Mozes’) op zijn honderd kamelen ruim 10.000 kilo goud meegenomen op reis.

Veelzeggend is ook het achttien meter lange zeilschip dat in de negende eeuw zonk bij het Indonesische eiland Belitung (Biliton): een ‘dhow’, een Arabisch zeilschip gemaakt van Afrikaanse planken die ergens in Arabië met kokosnoottouw tot een boot zijn samengebonden. In het vrachtruim lagen 60.000 bordjes van Chinees porcelein, gebakken in Hunan. Op de bordjes lijkt Arabisch schrift te staan, geschilderd door Chinezen die geen Arabisch kenden, maar best een voorbeeld van hun Arabische klanten wilden natekenen. Op de beroemde (boeddhistische) Borobodur-tempel op Java (uit ongeveer de zelfde tijd als het Bilitonschip) staan élf verschillende scheepstypen afgebeeld, waaronder ook de grote zeewaardige kano’s met ‘uitleggers’ (stabiliserende zijdrijvers) waarmee de Stille Zuidzee werd bevaren.

Hansen begint haar boek met de avonturen van de Vikingen in Groenland en Noord-Amerika, omdat daarmee precies rond het jaar 1000 de keten van contacten om de wereld eindelijk gesloten werd. De oostelijke expansie van de mensheid had 15.000 jaar geleden de Amerika’s betreden, de Noormannen legden in het jaar duizend – eindelijk! – de link met het ‘Oude Westen’.

Superieure kanonnen

Hansen had haar boek overigens ook ‘800-1200’ kunnen noemen, want het gaat haar om die hele periode, die ook – zoals zoveel wereldgeschiedenis – relevant is voor het moderne historische zelfbeeld van Europeanen. Dat de vijftiende en zestiende eeuw in Europa lang het tijdperk van ontdekkingen zijn genoemd, zegt namelijk veel over het relatieve mondiale isolement van onze streken in de middeleeuwen.

Maar Hansens punt treft meer dan psychologie. Haar boek maakt duidelijk dat de Europeaanse veroveringen en expansie in de Oost en West vanaf de zestiende eeuw geen nieuwe handelsstromen creëerden maar dat de agressieve Europese handelscompagnieën met hun superieure kanonnen eenvoudigweg de zeewegen betraden die vijf tot zeshonderd jaar eerder al waren opengelegd.

Op de vraag waarom die handelsstromen vanaf zeg 800 groeiden en opbloeiden rond 1000 gaat Hansen niet gedetailleerd in. Duidelijk wordt wel dat het Kalifaat van Bagdad, dat reikte van Marokko tot Afghanistan, een stevige basis vormde, net als het andere machtige zwaartepunt van deze middeleeuwse wereldhandel: het Chinese keizerrijk, onder de Tang- en daarna de Song-dynastie. Ook het Byzantijnse Rijk, dat behoorlijk machtig bleef tot ver in de elfde eeuw, speelde een rol in het noordwestelijke deel van de verbindingen, met onder meer de handel met Scandinavië via de Russische rivieren. Je zou bijna zeggen: in deze tijd ging alles nog óm West-Europa heen.

Correctie (22-6-2020): per abuis was de lading in het vrachtschip bij Belitung omschreven als ‘aardewerk’. Het is verbeterd in ‘porcelein’.