Hoogleraar wijsbegeerte Gabriël van den Brink: „Een heleboel onzin valt bij zo’n crisis door de mand.”

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Socioloog Gabriël van den Brink: ‘Niet alles in het leven moet in het licht staan van winnen’

De wereld na corona Liberalisme was ooit nuttig ter vergroting van de individuele vrijheid. Nu smoort het te veel andere waarden en ideeën, zegt Gabriël van den Brink.

‘Never waste a good crisis’, zo luidt het adagium. Daarom maakt NRC een serie interviews ‘De wereld na corona’ over de vraag: hoe kan de coronacrisis worden aangewend om de samenleving te veranderen? De interviews zijn niet bedoeld om de toekomst te voorspellen, maar om denkrichtingen te bieden over hervormingen van (onder andere) de landbouw, globalisering, democratie, voedsel, kunst, technologie en toerisme.

‘Twee dingen zijn van belang. A: …” Stel Gabriël van den Brink een vraag, en het antwoord wordt in porties opgediend. A, B. Ten eerste, ten tweede. Zo bouwt hij ook zijn boeken op – de emeritus hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde schreef er bijna vijftig.

Van den Brinks nieuwste boek, Ruw ontwaken uit een neo-liberale droom, kwam eind vorige maand uit. Toen het deels filosofische, deels sociologische pleidooi voor gemeenschapszin af was, brak de coronacrisis uit. Van den Brink kon er net een naschrift aan toevoegen.

Centrale gedachte van het boek: de laatste vijftig jaar werd het liberalisme op alle terreinen hegemoniaal. Eerst in de politiek, toen in de cultuur, uiteindelijk in de economie. Maar de laatste jaren loopt het op al die gebieden tegen zijn grenzen aan. Het (neo-)liberalisme heeft te weinig oog voor de inbedding van het individu in zijn leefomgeving – zowel de sociale als de ecologische. Het ‘ruw ontwaken’ wordt versterkt door de coronacrisis, vertelt Van den Brink via Zoom. „Die heeft als een versneller gewerkt. Ik zie onderstromen zichtbaar worden die meer op spiritueel vlak liggen en waarvoor de politiek nog geen taal heeft. De rust, de rem op het consumeren, het feit dat er eindelijk schone lucht is: daardoor gaan we ons afvragen hoe we ons verhouden tot de natuur, maar ook tot leven en dood. Een heleboel onzin valt bij zo’n crisis door de mand. Bullshitbanen, het 88ste vliegreisje. Je hoeft geen vier keer per jaar met het vliegtuig naar Marseille.”

Het is de vraag hoe blijvend zo’n mentaliteitsverandering is, erkent Van den Brink – daarover later meer. Eerst wat begripsverheldering. Van den Brink gebruikt in zijn boek de termen liberalisme en neo-liberalisme door elkaar. Ze verschillen niet wezenlijk, zegt hij: de neo-variant is de laatste verschijningsvorm van een denken waarin persoonlijke vrijheid voorop staat. „Dat ideaal werd pas begin jaren 80 bepalend voor de samenleving als geheel. Voor politici als Thatcher en Reagan was dat het enige model.”

Lees ook dit artikel over Gabriël van den Brinks boek ‘Waartoe is Nederland op aarde?’ – over de Nederlandse identiteit.

Van den Brink benadrukt meermaals niet tegen het liberalisme te zijn. „Aanvankelijk was het liberalisme een tegenkracht. Tegen feodaliteit, tegen monarchale macht. Er waren toen heel goede redenen om liberaal te zijn. Maar wat gebeurt er als die tegenkracht overgaat in een dominante zienswijze? Liberalen pleiten voor vrijheid, er moet een strijd van ideeën zijn. Maar één idee moet steeds winnen: het neo-liberalisme! Nationalisme mag niet meer, protectionisme mag niet meer, gemeenschapszin mag niet meer.”

Is dat zo? Hoe verklaart u dan alle aandacht in de politiek voor nationale symbolen? En het pleidooi voor een participatiesamenleving?

„Om met het laatste te beginnen: de bereidheid om elkaar te helpen werd al snel gebruikt om bezuinigingsbeleid te legitimeren. Als burgers meer aan mantelzorg gingen doen, scheelde dat in het budget. En het eerste: Buma wilde wel dat we het volkslied gingen zingen, maar hield intussen aan de neo-liberale agenda vast. Zo moest en zou er marktwerking in de zorg komen. Ook het CDA wilde dat alles zuiniger, efficiënter en competitiever werd. Maar dat leidt wel tot een ondermijning van de gemeenschapszin.”

Zou u alle grote middenpartijen neo-liberaal noemen?

„Ze zijn op een zeker moment neo-liberaal geworden. De christendemocratie en de sociaaldemocratie werden eind negentiende eeuw opgericht om tegenwicht te bieden aan de marktdynamiek. Dat hebben ze tot in de jaren 80 ook gedaan. Maar vanaf 1989 gaven ze hun eigen visie prijs. Dan zie je ook wat er gebeurt als één idee allesbepalend wordt. Als politici in de Kamer zeiden dat er iets mis was met de markt, kregen ze te horen dat ze bij de SP hoorden. De PvdA kon alleen meebesturen op voorwaarde dat ze ‘marktmatig’ dacht. Dat was de keus waar Blair, Schröder en andere sociaaldemocraten voor stonden.”

Nederlanders vinden vanaf halverwege de jaren 90 dat de ongelijkheid tussen rijk en arm te groot is, laat u zien in het boek. Waarom heeft zich dat niet politiek vertaald?

„Omdat dat verhaal niet verteld werd. Je hoort zelden taal waarin het gemeenschappelijke tot uitdrukking komt. Het verhaal van de sociaaldemocratie en christendemocratie is heel dun geworden. Rekenen is één ding, maar een verhaal vertellen over de samenleving is iets anders.”

U beschrijft in het boek dat het neo-liberalisme niet overal vat op heeft gekregen: mensen blijven zich verenigen en blijven vrijwilligerswerk doen. Hoe verklaart u dat?

„Die neo-liberale denkwijze kreeg vooral greep op degenen die besturen, die het publieke debat voeren, die behoren tot de maatschappelijke bovenlaag. Hun invloed op het beleid is groot. Maar gelukkig is het leven meer dan beleid alleen, zoals de mens ook meer is dan de homo economicus uit de economische handboeken.”

Lees ook: Is de samenleving jaren na de intrede van het woord ‘participatiesamenleving’ veranderd?

Uw boek gaat ook over professionals als zorgverleners en politieagenten, die vast komen te zitten in de bureaucratie van hun organisatie. Wat heeft dat met neo-liberalisme te maken?

„Met het ‘New Public Management’, een bestuursfilosofie die dominant werd in de jaren 90, kwamen dwang en competitie bij elkaar. Ziekenhuizen moesten de concurrentie met elkaar aangaan, onderwijsinstellingen ook. Die combinatie van concurrentie en dwang leidde tot een nieuw soort bureaucratie, waarbij managers de baas waren. Zij zagen erop toe of degenen die het eigenlijke werk deden, wel de gestelde targets haalden.

Het betekent ook, ik heb het zelf aan de universiteit gezien, dat mensen continu in een wedstrijd met elkaar verwikkeld zijn. Hebben we dat gewild? Nee, aan de universiteit was het de bedoeling om goed onderwijs te geven en serieus onderzoek te doen, niet om zoveel mogelijk Chinese studenten binnen te halen of het hoogst te scoren op de ‘h-index’. Er zit een masculiene ondertoon in die mij helemaal niet bevalt: je moet hard zijn, kunnen knokken, je eigen prestaties voorop stellen. Ik hou best van een wedstrijd en ook van winnen, maar niet alles in het leven zou in die sleutel moeten staan.”

In het boek levert u ook kritiek op de verzorgingsstaat.

„In de jaren 70 was er veel bureaucratie en grootschalige verspilling, en misschien werd de verzorgingsstaat onbetaalbaar. Dus ik snap heel goed dat men zei, we gaan het iets bedrijfsmatiger aanpakken. Maar we moeten onderscheid maken tussen twee dingen, namelijk dat er redenen zijn om een organisatie anders in te richten, en het verheerlijken van die werkwijze als een moreel of filosofisch ideaal. Mijn bezwaar zit bij dat laatste. De triomf van het liberalisme in de jaren 80 heeft alles te maken met de triomf in de jaren 60 van het zichzelf ontplooiende individu.”

Maar staan die dingen niet haaks op elkaar? In het New Public Management komt juist het individu in de knel.

„Ja, het neo-liberalisme is inderdaad een wat paradoxaal pakket. Het wil de staat gebruiken om vrijheid op te leggen. Werknemers, professionals en burgers kregen maar één keuze: concurrentie met elkaar aangaan. Maar veel mensen willen dat helemaal niet; die willen samenwerken. Dat leidt tot beroepszeer bij professionals als zorgverleners, politieagenten, leerkrachten.”

De kritiek op het New Public Management is inmiddels vrij oud. Is er niks veranderd?

„Er is vrijwel niets veranderd aan de bestuurlijke praktijk. Kijk naar ziekenhuizen, die vooral aan rendements-eisen moeten voldoen. Met zo’n sturingsmodel stel je financiële uitkomsten centraal. Maar een ziekenhuis is geen bedrijf, het is een zorginstelling. Dus je moet het doel van je organisatie vooropstellen, en de financiering daaruit afleiden.”

U bepleit een weg tussen staat en markt: de ‘coöperatieve werkwijze’. Hoe kan de politiek die bevorderen?

„Veel problemen worden opgelost van onderop, als je daar ruimte voor maakt. Kijk naar wat artsen en verpleegkundigen deze crisis hebben gepresteerd. Dat is hen niet door de regering opgelegd, ze hebben het zelf gedaan. Dus de politiek moet ten eerste ruimte maken voor degenen die het eigenlijke werk doen, en ten tweede hun samenwerking bevorderen.”

U beschreef hoe de coronacrisis mensen aan het denken heeft gezet. Hoe blijvend is dat effect?

„Veranderingen op moreel of mentaal gebied zijn vaak sluipend en ze verlopen traag. Vliegschaamte kwam vorig jaar op de agenda. Veel mensen dachten: het kan toch niet dat je voor 25 euro naar Barcelona vliegt. Die denken er nu extra over na. Ik zeg niet dat het door deze crisis gaat veranderen, maar wel dat dergelijke vragen nu acuut worden. Na 2008 is er niks gebeurd, en daardoor nam het chagrijn enorm toe. Hoeveel chagrijn wil je laten ontstaan? Dat vind ik wel een mooie gewetensvraag voor de politiek.”