Rigide omgang met terugkerende Joden in Rotterdam

WO II De gemeente paste na de oorlog de regels strikt toe bij schikkingen met Joodse huiseigenaren, blijkt uit onderzoek.

In 1921 staat een feestcomité op de in de oorlog verwoeste Helmersstraat, waar veel Joodse ondernemingen zaten.
In 1921 staat een feestcomité op de in de oorlog verwoeste Helmersstraat, waar veel Joodse ondernemingen zaten. Foto Stadsarchief Rotterdam

De gemeente Rotterdam heeft na de oorlog weinig oog gehad voor de moeilijkheden waarmee teruggekeerde Joodse huiseigenaren te maken kregen. De bestuurlijke en ambtelijke elite leverde geen extra inspanningen om deze groep voor de geleden financiële schade tegemoet te komen. De regels werden strikt nagevolgd en het gemeentelijke huishoudboekje had prioriteit.

Dat zijn conclusies uit het rapport Ontrechting & rechtsherstel over het Rotterdamse gemeentebeleid inzake ontrechting en rechtsherstel van Joodse oorlogsslachtoffers tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het rapport werd vrijdag door het NIOD gepubliceerd.

De gemeente Rotterdam had opdracht gegeven tot de studie omdat een paar jaar geleden was gebleken dat Joodse huizenbezitters na terugkeer in Amsterdam boetes kregen opgelegd voor niet betaalde erfpacht en in Den Haag waren aangeslagen voor onroerendgoedbelasting. Amsterdam en Den Haag stelden daarop ter compensatie respectievelijk 10 en 2,6 miljoen euro beschikbaar aan de Joodse gemeenschap.

Omdat Rotterdam geen erfpacht kende zijn er geen boetes uitgedeeld. Ook zijn er geen aanwijzingen dat er problemen waren met het innen van achterstallige belastingen. Wel kwam het voor dat anti-Joodse maatregelen tijdens de bezetting de gemeente financieel voordeel opleverde. Door gebrekkige of verdwenen administratie valt niet meer te becijferen hoe groot dat voordeel is geweest. Volgens de onderzoekers kan het rapport daardoor niet worden gebruikt als een onderbouwing van een eventuele financiële compensatie.

Particuliere oorlogskopers

De kwestie is in Rotterdam complexer dan in andere steden door het bombardement van 14 mei 1940. Buiten de brandgrens werden Joodse bezittingen vanaf 1941 door de bezetter onder beheer gesteld met als doel ze te verkopen. De meeste Joodse eigenaren die na de oorlog terugkeerden kregen daardoor te maken met particuliere oorlogskopers, niet met de gemeente.

Een uitzondering was H. Hertzberger, wiens woning aan de Westersingel 88 door de gemeente als ambtswoning voor de nationaal-socialistische burgemeester Müller werd aangekocht. Hij kreeg het terug, maar raakte in conflict met de gemeente omdat hij een vergoeding wilde voor de deels verdwenen inboedel. Tijdens de rechtszaak kreeg hij van de advocaat van de gemeente te horen dat hij dankbaar moest zijn dat de gemeente de opkoper was, waardoor de inboedel niet volledig geroofd was.

Problemen tussen gemeente en Joodse terugkeerders speelden vooral binnen de brandgrens. Alle huiseigenaren binnen de brandgrens, Joods en niet-Joods, werden meteen in 1940 onteigend en daarvoor gecompenseerd. Eigenaren van huizen die nog overeind stonden mochten de exploitatie voortzetten, maar voor Joden werd dat in 1942 verboden. De gemeente nam die toen over.

Dat overkwam ook het gezin Blom. Marcus, de zoon die als enige de Holocaust overleefde, raakte na de oorlog in een rechtszaak met de gemeente verwikkeld. De woningen van zijn familie aan de Van Oldenbarneveltstraat, op de rand van de brandgrens, waren behouden gebleven en dus ging de exploitatie over naar de gemeente. In het conflict dat na de bevrijding ontstond over een vergoeding daarvoor werd hem verweten het onderste uit de kan te willen halen. Ook hij moest vooral dankbaar zijn dat hij zijn bezit terugkreeg. „Dat het protest van de erven Blom ook kan worden gezien als verzet tegen de anti-Joodse maatregelen en het al te volgzame beleid van het Rotterdamse bestuur tijdens de bezetting, werd niet begrepen en/of niet gewaardeerd”, zo staat in het rapport te lezen.

De synagoge aan de Gedempte Botersloot, hier in 1931 te zien na de afbraak van de panden aan de noordzijde van de Meent, werd verwoest bij het bombardement. Foto Stadsarchief Rotterdam

Gebrek aan psychologische ruimte

Ondanks dat alle panden van Joodse eigenaren die Rotterdam in bezit had gekregen werden teruggegeven, en er in dat opzicht dus ‘rechtsherstel’ heeft plaatsgevonden, probeerde de gemeente in de uitwerking van financiële regelingen met individuele burgers er zelf zo gunstig mogelijk uit te springen. Er is maar weinig bezwaar gemaakt tegen de getroffen regelingen. Maar daaruit „mag niet automatisch de conclusie worden getrokken dat de overige slachtoffers van vervolging tevreden zijn geweest met het gemeentelijk beleid”, meldt het rapport.

Volgens NIOD-onderzoeker Hinke Piersma, die het rapport met haar collega Marleen van den Berg opstelde, is de rigide opstelling van de gemeente te verklaren uit een gebrek aan zowel financieel-economische als psychologische ruimte. „Die houding moet je zien in de context van die tijd, waarin het bestuur gericht was op de wederopbouw van de verwoeste stad, en niet zozeer bezig was met individueel leed. Het besef over het drama dat de Joden was overkomen is pas later gegroeid, vooral vanaf de jaren zestig.”

Anders dan Amsterdam, waar boetes werden uitgedeeld voor het uitblijven van betalingen die onmogelijk konden worden gedaan, heeft Rotterdam geen onredelijke strafmaatregelen opgelegd. Piersma: „Eerder werden in Rotterdam de regels strikt toegepast. Men was bang uitzonderingen te maken. Maar omdat de regels voorschreven dat in elk individueel geval een minnelijke schikking moest worden bereikt, liet dat ruimte voor onderhandelingen waarin Joodse burgers die voor hun rechten opkwamen het verwijt kregen inhalig te zijn. Dat is wel schrijnend.”