Opinie

Hoe Joseph Roth mijn leven veranderde

Michel Krielaars

Ik weet nog heel goed hoe ik Joseph Roth leerde kennen. Het was in de herfst van 1979. Hij was toen al veertig jaar dood. In de etalage van de legendarische Amsterdamse boekhandel Favié, waar ik een groot deel van mijn literaire vorming opdeed, lag een nieuwe aflevering van het literaire tijdschrift De Engelbewaarder. De titel luidde Joseph Roth in Nederland. Op het omslag stond een man afgebeeld met een klein hoofd met wat donkerblond haar in een scheiding, lieve amandelvormige ogen en een hangsnor. Joseph Roth dus. Ik had nog nooit van hem gehoord.

Het boekje was geschreven door Roth-kenners Koos van Weringh en Toke van Helmond. Van Weringh was vaste klant in boekhandel Favié. Ik kwam hem er regelmatig tegen. Hij kon leuke verhalen vertellen over politieke spotprenten van Albert Hahn of het Duitsland van het interbellum. Omdat hij de tekst van de Engelbewaarder over Roth had geschreven, kocht ik die aflevering. Diezelfde avond smulde ik van alles wat ik over Roth las. Zo kondigde hij in een interview met Johan Winkler in 1935 alvast de ondergang van Hitler aan. Jammer dat hij dat moment zelf niet heeft meegemaakt.

Tot op zekere hoogte heeft Roth mijn leven bepaald. Voordat ik hem had ontdekt, wilde ik dokter worden, maar na lezing van zijn boeken veranderde ik van koers en besloot ik te gaan leren, lezen en schrijven over de wereld waarin hij rondliep. Ik ben hem daar nog altijd dankbaar voor. Regelmatig hef ik dan ook het glas op hem in zijn stamcafé De Engelse Reet, waar een koperen plaatje met de tekst ‘Das bin ich wirklich; böse, besoffen, aber gescheit’ aan zijn bezoek herinnert.

In 2009 bezocht ik Roths geboorteplaats Brody, dat tegenwoordig in Oekraïne ligt. Het bleek een stadje met paard en wagens, een gymnasium met een klein Roth-museum, ruïnes van door de nazi’s verwoeste paleisachtige synagoges en de lucht van gekookte kool. Ik waande me in het decor van zijn onlangs door Elly Schippers vertaalde roman Tarabas. Een gast op deze aarde, dat in 1934 tijdens Roths ballingschap bij de Exil-tak van uitgeverij Querido in het Duits verscheen.

Tarabas is het verhaal van een naar Amerika gevluchte Russische revolutionair, die in 1914, kort nadat hij in New York uit jaloezie een caféhouder heeft doodgeslagen, naar zijn geboorteland terugkeert om tegen de Oostenrijkers te vechten. Hij smult van het krijgsgeweld en wordt door zijn manschappen ‘tsaar’ genoemd. De oorlog is ‘zijn groot bloedig vaderland’. Met de blanke sabel slaat hij zijn vijanden de hersens in, met genoegen plundert hij dorpen en steden om ze daarna plat te branden, zonder aarzeling hangt hij vermeende verraders op. Als de oorlog voorbij is, eindigt in feite zijn leven en begint de sleur van het kazernebestaan in het dorp Koropta. Voor de revolutie van Lenin interesseert hij zich niet.

Op een dag beginnen een paar deserteurs en bezoekers van de boerenmarkt in Koropta een pogrom. Ze mishandelen Joodse mannen en vrouwen, plunderen hun huizen en steken ze in de fik. Ineens zijn ze beesten geworden uit naam van Christus. Als Tarabas veel te laat de orde komt herstellen, trekt hij uit ergernis een Jood zijn baard uit, waarna hij hem bewusteloos slaat. Algauw krijgt schuldgevoel hem in zijn macht. Van een moordenaar wordt Tarabas een heilige. In 2009 zag ik zulke heiligen door de straten van Brody sjokken. Dat ze in 2014, toen in Oekraïne de oorlog uitbrak, weer in moordenaars zouden veranderen, had ik toen niet kunnen bevroeden.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.