Recensie

Recensie Boeken

Ineens is daar die halfbroer uit Ethiopië

Jaap Scholten Het verleden komt knap dichtbij in het verhaal over een Twentse twintiger die naar Ethiopië ging. Maar zo’n geschiedenis garandeert nog geen overtuigende roman.

Illustratie Paul van der Steen

Als de roman Suikerbastaard na 170 bladzijden aan een heel nieuw verhaal begint, over andere personages in een andere tijd, heb je in de gaten waar het Jaap Scholten om begonnen was: dít is het verhaal dat hij wilde vertellen. Het verhaal van Marinus Hilbrink, een Twentse twintiger die eind jaren zestig naar Ethiopië trok, met een groep collega’s uit de Hengelose fabriek van Dupont, om daar een nieuwe suikerfabriek uit de grond te stampen.

De voorbereidingen, zijn reis en verblijf komen in trefzekere scènes voor het voetlicht – en nog mooier zijn de brieven van Marinus naar zijn liefje thuis. Hij schrijft soms wat onbeholpen, zonder komma’s, maar des te levendiger is het verslag: ‘Ik zit in een hotel zoiets moois heb je van je leven nog niet gezien met bogen overal.’ Op z’n Twents schetst hij een onsympathiek type als iemand met ‘een boordje om en zwil in de oren’.

Het verleden komt knap dichtbij, in de ruim tweehonderd bladzijden die het middenstuk en het hart vormen van Suikerbastaard. Je begint al bijna teleurgesteld te raken dat dit historische verhaal toch haast niet verzonnen kán zijn, of dat Jaap Scholten (1963) wel een genie moet zijn als hij die brieven gefingeerd heeft. En toch, als je de verantwoording achterin de roman moet geloven, is dat laatste het geval. Scholten heeft slechts ‘enige zinnen overgenomen’ uit de ‘Abessinië-verslagen van Stork-jongens’ en uit de privécorrespondentie van één van hen. Marinus Hilbrink is een fictief personage. In dat opzetje is Scholten dus geslaagd: hij roept het verleden van de Twentenaren die Stork-suikerfabrieken neerplantten in Ethiopië zo levendig op dat je het gevoel krijgt met een waarachtig geschiedenisboek te maken te hebben.

Tussenpersoon

Dat is Scholtens pakkie-an: hij baseerde eerdere romans op werkelijke verledens, meestal met een persoonlijke link, hij ontving de Libris Geschiedenis Prijs voor zijn internationaal opgepikte Kameraad Baron (2011), over de Transsylvaanse adel in de tweede helft van de twintigste eeuw. Scholten lardeerde dat verhaal uitvoerig met verslagen van eigen reizen door Oost-Europa.

Lees ook het kerstverhaal dat Jaap Scholten in 2018 voor NRC schreef: De erfenis van een oud-diplomaat

Ook bij het ontstaan van Suikerbastaard zal hij zich dat hebben bedacht: dat alleen die uitsnede uit de geschiedenis, van Stork in Afrika vanaf eind jaren zestig, onvoldoende stof zou zijn voor een roman. Marinus Hilbrink trekt naar Ethiopië – en dan? De suikerfabriek wordt probleemloos opgericht, van een uitbarsting van koloniale spanningen is nog geen sprake. Waar is dan de motor van het verhaal? Het enige conflict in Marinus’ verhaal is de afstand tot zijn liefje in Twente, maar dat is te dun: dat heeft verder niets met Ethiopië te maken.

Bastaard

Dus legt Scholten in de roman weer een persoonlijke link. De eerste 170 bladzijden en de laatste 160 gaan over Frederik Spengler, sinds jaar en dag Scholtens literaire alter ego. De industriëlenfamilie Dupont (een fictionalisering van Stork dus, waarvan Scholten via moederskant telg is) wordt opgeschrikt door het opduiken van een vermeende halfbroer: een voorvader zou een bastaard verwekt hebben. Om dat uit te zoeken gaat Spengler op reis. In Addis Abeba krijgt hij te maken met een tussenpersoon die verrassend veel weg heeft van Daniel Hoek, die de hoofdpersoon was in de geweldige film The Bastard (2018) van Floris-Jan van Luyn (ook over een bastaard in Ethiopië). Maar het botert in de roman niet zo tussen deze Michael en Spengler, dus in de verantwoording worden hij noch Van Luyns documentaire genoemd.

Lees ook: Een Ethiopische zoon eist erkenning in Friesland

Zo gaat de roman vrij moeizaam van start: die vermeende bastaard zou een interessante aanjager van de intrige kunnen zijn, maar je voelt aan alles dat het op niets gaat uitlopen (en inderdaad, mini-spoiler: de bastaard is geen familie), en intussen ligt de aandacht van Spengler al veel meer bij zijn reisgenoot. Zijn jeugdliefje Mila had out of the blue contact opgenomen, omdat ze óók achter een Ethiopische voorvadergeschiedenis aan zit – ze reizen samen, waarbij de nodige verlangens uit het verleden wakker geschud worden. Zo plat als het is: hij wil graag met haar naar bed, maar worstelt met het feit dat hij een vrouw thuis heeft. Hij worstelt overigens ook met Michael, die óók interesse heeft in Mila.

Kletsende westerling

Maar wat wil je ook, zou je zeggen: de voornaamste karaktertrekken die Mila toegedicht krijgt zijn haar flirterigheid en welgevormdheid, ze is een soort ouderwetse Bondgirl. Dat is misschien nog wel het moeizaamste aan de Spengler-delen van de roman: de oppervlakkigheid. Die zit ‘m in Spenglers onironisch veroordelende blik – hij beziet en beoordeelt op grond van uiterlijkheden, van vrouwen tot onbetrouwbare of luie Afrikanen (ach en wee bij de langzame visumuitgifte) en hangt de kletsende westerling uit, wel begaan maar niet werkelijk geïnteresseerd. Hij beklaagt de Ethiopiërs om de inmenging van Chinese en Saoedische industriëlen, kan zomaar uitbarsten in uitgekauwde tirades over ‘de vernietiging van de middenklasse door globalisering en automatisering’. Hij is een columnist in het diepst van zijn gedachten, die ons deelgenoot maakt van inzichten als: ‘Het belang van je plek van geboorte en familie en al dan niet aanwezig financieel, cultureel en sociaal kapitaal zijn nog altijd onontkenbaar.’ Om nog maar te zwijgen over enig bijdetijds, postkoloniaal bewustzijn: ‘tolerante’ Spengler wuift vooroordelen weg (‘In welke godheid mensen geloven of welke huidskleur ze hebben, maakt voor mij geen donder uit’).

Het is dus een verademing als Spengler plaatsmaakt voor Marinus Hilbrink.

Cappuccino

En een domper als Spengler en Mila tweehonderd bladzijden later weer terugkeren. Spenglers bastaardintrige was al afgerond, nu is het Mila’s beurt om haar wortels te zoeken (waar Spengler dan een beetje bij hangt). Haar afwezige vader hoorde tot de Dupont-jongens; het laat zich raden om wie het gaat.

Dit is een boek voor wie likkebaardt bij een James Bond-achtige romance

Wat Suikerbastaard dan nog biedt, zijn vleugjes Ethiopische geschiedenis, de revolutie die zich tegen keizer Haile Selassie keerde, het bloedige Derg-regime – en de verwondering daarover bij Spengler: ‘Ik lees en besef dat we níéts wisten. […] Het ergste wat ons land in die jaren trof, waren autoloze zondagen en treinkapingen.’ Tja: dat referentiekader, zijn positie als tussenpersoon, als filter, maakt dat je uiteindelijk nóg weinig te weten komt. De geschiedenis beperkt zich tot mededelingen in telegramstijl, waarna zich wel weer een gesprekje met Mila aandient over de kwaliteit van de cappuccino (niet best, uiteraard).

Ook omdat het Scholten in dat laatste deel om iets anders te doen lijkt: hij is meer een reizende verhalenverteller dan een romancier. Suikerbastaard is een boek voor wie graag exotische plaatjes aan zich voorbij ziet trekken à la Lucinda Riley, voor wie even uiteengezet wil krijgen hoe het voor een beginner is om qat te kauwen en voor wie likkebaardt bij een James Bond-achtige romance. Maar voor een wezenlijk verhaal, waarin alles ertoe doet en dat beklijft omdat het onder de oppervlakte tast, grijp je hier mis.