Recensie

Recensie Boeken

Dit zijn de twee gezichten van eenzaamheid

Eenzaamheid Eenzaamheid heeft twee gezichten: dat van de kluizenaar en dat van de gevangene. Twee Britse historici bijten zich vast in de geschiedenis van alleen-zijn.

Caspar David Friedrich: Der Mönch am Meer (1808-1810), olieverf op doek.
Caspar David Friedrich: Der Mönch am Meer (1808-1810), olieverf op doek.

Een aantal jaren geleden nam ik met een paar andere schrijvers deel aan een experiment van VPRO-radio. Beurtelings werden we zonder smartphone en internet voor een week ergens in de voormalige Lauwerszee afgemeerd. Moederziel alleen. Elke dag kwam een zwijgende man in een bootje een usb-stick halen met daarop onze ingesproken tekst. Het was heerlijk om in die radicale stilte te lezen en te schrijven. Maar wat was het eenzaam, daar in de regen van november, met het nasaal geklaag van een meerkoet en een klapperend touw tegen een mast.

Eenzaamheid heeft kennelijk twee gezichten: dat van de kluizenaar en dat van de gevangene. Verkies je haar zelf, dan kan ze inspireren, rust brengen, verdieping en wie weet zelfs verlichting. De nogal met zichzelf ingenomen filosoof Schopenhauer schreef in dat licht aan de eenzaamheid eens twee voordelen toe: je bent in goed gezelschap en ten tweede heb je geen last van anderen.

Word je echter tot afzondering gedwongen of raak je er ongewild in verzeild, dan verandert alleen-zijn in eenzaamheid en vliegen de muren je aan. Het leed in verpleeghuizen kreeg de afgelopen maanden terecht volop aandacht en andere quarantaine-perikelen liggen nog vers in het geheugen, al waren we ons in precovidiaanse tijden reeds bewust van FOMO onder jongeren en eenzaamheid bij ouderen. Het Verenigd Koninkrijk kreeg onder Theresa May zelfs een staatssecretaris van Eenzaamheid, en dat had niks met het isolationisme van Brexit te maken.

De afzondering van profeten

Was het vroeger beter of is het een tijdloos verschijnsel? Dat is geen eenvoudige vraag. Twee Britse historici beten zich er recentelijk in vast. Zowel Fay Bound Alberti als David Vincent noemen eenzaamheid beiden een epidemie, een verontrustend slordige constatering, want als iets niet besmettelijk is, is het wel afzondering. Beiden maken zich daarnaast aan academisch imponeergedrag schuldig door een enorme hoeveelheid bronnen en eindnoten te presenteren die omgekeerd evenredig is aan de hoeveelheid gedachten waarmee ze hun betoog samenhang proberen te geven.

Toch blijft de door hen behandelde historische achtergrond bij het tegenwoordig zo veel besproken fenomeen boeiend genoeg. Zo begon het gevoel van eenzaamheid zoals wij dat nu kennen volgens Bound Alberti en Vincent pas rond 1800. Bound Alberti beschrijft het als een romantische reactie op de modernisering en de Industriële Revolutie waarbij veel traditionele verbanden verdwenen. Een andere factor is secularisatie. Zolang nog niet aan het bestaan van God werd getwijfeld was je immers nooit helemaal alleen.

Vincent opent zijn boek met een invloedrijk geschrift over eenzaamheid van de Zwitser J.G. Zimmerman uit 1784, dat er zowel de voordelen van laat zien als de schaduwzijde. Dichters als Clare, Keats en Wordsworth bezingen de eenzaamheid en lijden eronder, in Mary Shelleys Frankenstein (1818) is ze een drijvende kracht, terwijl de populaire Lord Byron breed uitmeet hoe je niet alleen in de natuur eenzaam kunt zijn maar juist vooral te midden van andere mensen.

Wijze weduwe

Bound Alberti schetst hoe het gevoel de keerzijde van romantische liefde is, waarbij ze moeiteloos van Emily Brontës roman Woeste Hoogten (1847) naar de fantasy van de Twilight Saga overspringt. In premoderne tijden voelde men zich vast even verlaten bij verlies van een echtgenoot, alleen is zo’n verlies voor een wijze weduwe, aldus de zeventiende-eeuwer Thomas Fuller, niet een storm, maar een zachte regen. Dan zijn de veertig eenzame jaren van Queen Victoria na de vroegtijdige dood van Prins Albert in 1861 een ander verhaal. Ze sliep al die jaren in zijn nachtgoed en legde elke ochtend zijn kleren klaar.

Maar in hoeverre verschilt zulke eenzaamheid, die misschien eerder onmatige rouw moet heten, van bijvoorbeeld Hamlets peilloze melancholie een paar eeuwen eerder? En was eenzaamheid niet ook een religieuze emotie?

Bound Alberti noch Vincent maken veel werk van de vraag hoe christenen de afzondering van profeten, heiligen en mystici begrepen, of wat ze dachten bij Gods constatering dat het ‘niet goed (was) dat de mens alleen is’ (Genesis 2:18). En wat werd er door de eeuwen heen gevoeld bij het nu eerder door de Mattheüs Passie bekende, dramatische moment, waarop een stervende Jezus aan het kruis uitroept: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

Solitaire situaties

Dat het woord loneliness tot eind achttiende eeuw nauwelijks voorkomt wil nog niet meteen zeggen dat overeenkomstige gevoelens ontbraken. Als eenzaamheid behalve letterlijke, fysieke afzondering van anderen ook een gevoel van verlies of rouw is, krijgt het iets tijdloos. Of je je nu door God verlaten voelt, of door een echtgenoot die sterft of je verraadt, zoals bij de dichteres Sylvia Plath aan wie Bound Alberti een hoofdstuk besteedt, de emotie lijkt toch een zekere psychologische constante te bevatten. En laten we niet vergeten dat dieren net zo goed eenzaam kunnen zijn.

Beide historici bespreken de paradoxale eenzaamheid van sociale media met merkbare tegenzin en branden hun vingers niet aan uitgesproken solitaire situaties als masturbatie, gepest worden, lezen of sterven. Inzichten uit de sociale wetenschappen, de psychologie en de filosofie blijven onbenut. Wel is het een goed idee om uit de literatuur te putten – en misschien hadden ze zich beter hiertoe kunnen beperken.

Want in plaats van de onsamenhangende en af en toe persoonlijke ontboezemingen van de gescheiden Fay Bound Alberti, en in plaats van het geëmmer over toch vaak behoorlijk sociale hobby’s als postzegels verzamelen, vissen, kruiswoordpuzzels oplossen, tuinieren en zelfs roken bij David Vincent, hadden de letteren hier veel meer kunnen bieden. En dan niet alleen de in afzondering geschreven visioenen van Hadewijch, bespiegelingen van de teruggetrokken Marcel Proust of die wonderlijke Waldeinsamkeit van Duitse romantici.

De wereldliteratuur is een fantastische staalkaart van het leed dat eenzaamheid heet: van de ijzingwekkende beklemming bij Josef K. in Kafka’s Het proces tot de radeloze verlatenheid van Shakespeares King Lear; van de verbeten kankeraar in Dostojevski’s Herinneringen uit het ondergrondse en zijn vertwijfelde moordenaar Raskolnikov in Misdaad en straf tot de lyrisch verwoorde afzondering van de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson; en van Gontsjarovs lamlendige Oblomov tot Baudelaires gedicht La solitude en Coleridges wanhopige Ancient Mariner, voortdrijvend op een onmetelijke oceaan:

Alone, alone, all, all alone, Alone on a wide wide sea! And never a saint took pity on My soul in agony.