Opinie

Het kan erger

Marcel van Roosmalen

De man achter het huiskamerrestaurantje/ijssalon in de belangrijkste straat van het dorp houdt mij ongevraagd op de hoogte van hoe de ambtelijke molens draaien in crisistijd, waarschijnlijk omdat hij weet dat we er hetzelfde in staan. Ik frequenteer die zaak omdat er niets anders is, alle andere stoeltjes worden gevuld met vrouwen die van uitgebreid theedrinken houden, of beter gezegd wérden, want ze zijn ondanks de versoepelingen nog niet terug.

Hij is mijn navelstreng met het horecaleed, hij blijft maar geven.

Verhalen met veel bijvoeglijke naamwoorden.

Eerst over een ambtenaar die zijn idee voor een tijdelijk barbecuerestaurant kwam afschieten, daarna over een ambtenaar die stiekem terrasstoeltjes fotografeerde, toen over het flitsbezoek van de nieuwe burgemeester die kwam zeggen dat ze bij een kleine overtreding een oogje zou dichtknijpen, maar de dag erop dan wel weer over een ambtenaar die een terrastafel te veel telde.

En zo druppelde het emmertje langzaam over.

Gisteren zei hij dat hij met een stapel post had gegooid.

„Mis of raak?”, vroeg ik voor de vorm.

Ik moest aan mijn vader denken, die de laatste jaren van zijn werkzame leven regelmatig werd bekogeld in dorpshuizen waar hij boeren vertelde dat er een dijk of een snelweg over hun land moest.

„Mis of raak?”, vroeg mijn moeder dan bij thuiskomst.

Het was vrijwel altijd ‘mis’.

„Dan niet aanstellen”, zei mijn moeder, waarna ze hem een stuk boerenbont met stamppot onder de neus zette.

Zo jammer dat hij er in deze giftige staart van de corona-tijd niet meer bij is, ik had hem juist nu zo goed kunnen leren kennen.

In iedere conducteur met een spatscherm voor het gelaat zie ik hem.

Zou hij ook terrastafels hebben geteld?

Zou hij ook ergens naar binnen zijn gestapt om te concluderen dat er weliswaar niemand zit, maar dat er alvast wel te veel ruimte was gecreëerd voor fictieve gasten?

Opeens nog een herinnering die me te binnen schoot.

Het Schaapscheerdersfeest in Rheden, we gingen er met de auto naartoe. Na het parkeren troffen we een controleur, waar hij tegen zei: „Even verderop staat een groene Mazda 323, een beetje buiten het vak. Die is van ons.”

Hij mocht blijven staan.

Mijn broer vroeg: „Hoezo zou je dat zeggen?”

Het antwoord: „Omdat die man dat anders moet constateren, nu kan hij nog een andere kant op.”

Mijn vader handhaafde, maar deed zijn best het niet te zien.

Het kan erger.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.