Het gaat goed met R en de antilichamen

De coronacijfers Een laag reproductiegetal eind mei, een recent maar kort IC-piekje, lekker veel testcapaciteit en veel antilichamen in Noord-Brabant en Limburg.

Op het terrein van de (oude) brandweerkazerne in Dordrecht is een Corona teststraat opgezet.
Op het terrein van de (oude) brandweerkazerne in Dordrecht is een Corona teststraat opgezet. Foto John van Hamond
  1. Het reproductiegetal daalde voor 1 juni

    Het reproductiegetal R leek even boven de 1 uit te komen, half mei. Dat wil zeggen: een zieke steekt gemiddeld meer dan één persoon aan en dan kan de epidemie weer groeien. Maar in de laatste update van het RIVM laat de R al weer een gunstiger ontwikkeling zien: de schatting is dat het getal eind mei op 0,56 lag, en zo laag was de R sinds het begin van de epidemie nog niet.

    Let wel: dit was eind mei, want het RIVM baseert het R op de ziekenhuisopnames en dan kijk je per definitie een aantal weken in het verleden. Het duurt gemiddeld twee weken voor iemand die besmet wordt, ook in het ziekenhuis komt. Bovendien zijn de foutmarges fors en werden er een flink pakket aan maatregelen afgeschaald op 1 juni. Sindsdien zijn de kroegen en terrassen open, mogen er 30 mensen in een bioscoopzaal en kwam er een bezoekregeling in verzorgingstehuizen.

    Maar de basisscholen waren op 11 mei al beperkt open – ruim twee weken voor het laatste moment waarop het RIVM een enigszins betrouwbare schatting kan maken over de R. Dat heeft dus niet geleid tot een hoger reproductiegetal.

  2. Opnames op de IC’s piekten, maar dat was maar voor even

    Drie dagen op rij steeg het aantal coronapatiënten op de IC’s, na een bijna onafgebroken daling van 62 dagen. Geen reden tot paniek, wel iets om goed in de gaten te houden, vertelde Ernst Kuipers van het Landelijk Netwerk Acute Zorg in NRC. In de dagen erna volgde alweer een daling: vorige week vrijdag lagen er 73 coronapatiënten op de IC’s, maandag 87, vrijdag waren het er nog maar 57.

    Het piekje is ontstaan rond 1 juni, toen de maatregelen dus werden versoepeld: tussen een besmetting en ziekenhuisopname zit twee weken, en een IC-opname volgt vaak snel daarop. Volgens Kuipers komt er volgende week mogelijk weer een piekje in de IC-opnames. In regio Zuid-West Nederland (Zeeland en West-Brabant) werden vorige week meer mensen positief getest dan daarvoor.

    Desalniettemin lijkt de epidemie niet te groeien. De ziekenhuisopnames worden doorgaans gezien als de betrouwbaarste graadmeter. Het RIVM meldde voor afgelopen week maar vier opnames. Mogelijk zijn dat er nog een paar meer – door vertragingen in de rapportage worden sommige opnames weken later gemeld.

    Lees ook: Het gevaar van de coronamaatregelen afschalen: de epidemie laat zich lastig meten
  3. GGD’en testen meer, maar er is nog veel meer capaciteit

    Acht- à negenduizend tests per dag voeren de GGD’en sinds 1 juni uit. Dat zijn er weliswaar veel meer dan in de weken ervoor – sinds juni is het testbeleid verruimd en kan iedereen met klachten een test laten afnemen – maar de maximale testcapaciteit wordt nog lang niet gehaald. De Nederlandse laboratoria kunnen dertigduizend tests per dag aan – meer dan drie keer zo veel dus.

    Maar er lijkt in Nederland genoeg getest te worden: 1,7 procent van de testen is positief. Dat is ruim onder de richtlijn van 10 procent van de Wereldgezondheidsorganisatie. Als het aandeel positieve testen groter is, is dat een aanwijzing dat een land te weinig test en dus veel coronagevallen mist.

    Wel zijn er zorgen over de bereidheid om een test te laten afnemen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat 28 procent van de Nederlanders met verkoudheidsklachten zich wil laten testen. Anderen denken vaak dat de klachten niks met corona te maken hebben.

  4. Meer antilichamen bij bloeddonoren

    Inmiddels heeft acht à tien procent van de bloeddonoren in bijna heel Noord-Brabant en Limburg antilichamen tegen het coronavirus. Bloedbank Sanquin onderzocht het bloed van ruim zevenduizend mensen die tussen 9 en 18 mei bloed hebben gedoneerd. Zo’n 5,5 procent van de bloeddonoren heeft antilichamen, meldde Sanquin twee weken geleden al. Een kleine stijging ten opzichte van april, toen ongeveer 3 procent van de donoren antilichamen had.

    De stijging vond vooral plaats in Zuid-Limburg; in het vorige onderzoek werd bij zo’n 3 procent antistoffen gevonden, nu is dat tegen de 10. Tijdens de eerste meetperiode werden er veel nieuwe ziekenhuisopname in Zuid-Limburg gemeld; daar zijn dus veel nieuwe besmettingen geweest. Ook in bijvoorbeeld de regio’s rond Amsterdam en Utrecht rapporteert Sanquin een groei. In Groningen en Friesland werd er bij 2 tot 4 procent van de donoren antilichamen gevonden. In Drenthe en Flevoland ligt dat percentage nog lager: tussen de 0 en 2 procent.

    Het onderzoek geeft inzicht in het aantal mensen dat corona heeft gehad en eventueel immuun kan zijn – dat iemand antilichamen heeft, wil niet zeggen dat er ook voldoende immuniteit is opgebouwd.

    Helemaal representatief is het onderzoek bovendien niet: bloeddonoren zijn gezonde mensen van tussen de 18 en 69 jaar. De bloedbank gaat vanaf nu bijdragen aan een breder onderzoek van het RIVM, waar ook jongeren, ouderen en mensen die ziek zijn worden onderzocht.