Opinie

Geld maakt wél gelukkig

Geestelijk welzijn Covid-19 gaat ons heus niet gelukkig maken, schrijft de . Geld en de moderne psychiatrie wel.
Foto Getty Images

Wie had op 1 januari durven voorspellen dat 2020 een rampjaar zou worden? Door een klein stukje balorig RNA belanden miljoenen mensen binnenkort in de armoede en zal onze economie met 6 procent krimpen. Met z’n allen worden we (tijdelijk) wat minder welvarend. Maar, zo klinkt het, is dat erg? Wat hebben we eigenlijk aan al die rijkdom? Worden we daar wel gelukkiger van?

Econoom Richard Easterlin stelde in de jaren zeventig vast dat westerse mensen, ondanks al die toegenomen welvaart, nauwelijks gelukkiger waren geworden. De zogenaamde Easterlin-paradox is inmiddels weerlegd door empirisch onderzoek, maar toch blijft het bij velen knagen: zorgt meer welvaart écht voor meer geluk? Intellectuelen zien deze paradox nog altijd aan voor diepe wijsheid. Ja, er is meer materiële welvaart en luxe, maar geluk? Vergeet het.

„Mede dankzij de Verlichting hebben we grote delen van de mensheid van de gesel van de armoede kunnen bevrijden”, zei de filosoof Andreas Kinneging onlangs in de Volkskrant. „Maar toch zijn we niet gelukkig.” Het is erger, weet de Vlaamse psychoanalyticus Paul Verhaeghe: „Nooit had de westerse mens het zo goed, nooit voelde hij zich zo slecht.” En misschien is het ook onze eigen fout? Filosoof en psychiater Damiaan Denys: „De crisis van het coronavirus draagt het dna van onze moderne levensstijl. Het virus berecht onze levensstijl.”

Geluksstudies

Dit getob past in een traditie. Al sinds het prille begin van de moderniteit zetten filosofen grote vraagtekens bij onze groeiende voorspoed en comfort. We waren een kuddedier geworden (aldus Friedrich Nietzsche), een massamens (José Ortega y Gasset), een eendimensionale mens (Herbert Marcuse). Deze vroege kniesoren waren nog verexcuseerd, want zij beschikten nauwelijks over relevante data. En als er geen feiten zijn, is feitenvrije filosofie geen echte zonde.

Lees ook: Herwaardering van de waarheid begint met twijfel

Zo makkelijk komen hedendaagse denkers er niet vanaf – helemaal niet in deze Maand van de Filosofie, met als thema ‘waarheid’. Tegenwoordig zijn ‘geluksstudies’ een wetenschappelijke discipline. Want ook geluk kan je bestuderen en zelfs becijferen. Met de Bende van de Vooruitgang doen we wat populaire pessimisten nalaten: rapporten lezen, cijfers en statistieken raadplegen. Ook brengen we de geschiedenis in stelling. En dan breekt de zon door de wolken.

Het World Happiness Report van de Verenigde Naties brengt elk jaar in kaart waar mensen het gelukkigst zijn. En dan blijkt: onze westerse samenlevingen, hoewel alom verguisd, staan steeds het hoogst gerangschikt. In 2019 bekleedde Nederland de vijfde plaats. Finland, Denemarken, Noorwegen en IJsland scoren net iets beter.

Het is geen eenmalige uitschieter. In september 2019 verscheen ‘De sociale staat van Nederland’, opgesteld door het Sociaal en Cultureel Planbureau. Het rapport leert dat Nederlanders hun leven gemiddeld een 7,8 als rapportcijfer geven, een mooie 8min. En deze gelukslijn stijgt nog steeds.

Spiegeltjes en kraaltjes

De eerste belangrijke gelukmaker is geld. Met geld kun je een kar vol eten kopen in de supermarkt, een mobiele telefoon op elke straathoek en een bed met matras bij Ikea – een comfort waarvan de Zonnekoning alleen kon dromen. Die overwinning van rijkdom over armoede en ziekte bezongen we in ons oprichtingsmanifest. Maar voor de pessimisten zijn het slechts de spiegeltjes en kraaltjes van de consumptiemaatschappij.

Bij hen heerst nog steeds heerst de hardnekkige overtuiging dat geld niet gelukkig maakt. Schrijfster en filosofe Joke Hermsen zegt: „Er wordt ons voorgehouden dat je geluk kunt kopen”. Alsof dat een daverend misverstand zou zijn.

Want je kunt geluk wél kopen. Dat leert onderzoek, onder meer van Nobelprijswinnaars Daniel Kahneman en Angus Deaton. Rijkdom blijkt een grote aanjager: hoe rijker, hoe gelukkiger. Verrassend lang blijft deze wetmatigheid van kracht. Pas na 58.000 euro op jaarbasis vlakt de curve af; wie meer verdient, ziet zijn geluk niet met dezelfde snelheid toenemen. Vanaf dit punt maakt geld ons vooral gelukkig als we het weggeven aan goede doelen, blijkt uit ander onderzoek.

Wij doen wat populaire pessimisten nalaten. En dan breekt de zon door

Het verklaart deels de hoge score van Nederland op de mondiale gelukslijstjes. We zijn namelijk ook één van de rijkste landen op aarde. Met in 2019 een inkomen per hoofd van de bevolking van 59.420 dollar, volgens het IMF. Daarmee vallen we net buiten de top tien.

Onderaan die lijstjes bungelen Afrikaanse landen. Burundi is hekkensluiter, zowel qua inkomen als geluk. Burundezen verdienen iets meer dan 700 dollar per jaar; hun leven beoordelen ze, aldus de World Database of Happiness, met een 3,8. Leg hun eens uit dat je ‘geluk niet kunt kopen’.

Vrijheid

Natuurlijk is geld niet het enige dat gelukkig maakt. Zie Singapore en Hong Kong, waar inwoners meer verdienen dan in Nederland, maar waar ze hun leven een aanmerkelijk lager cijfer geven: respectievelijk een 6,6 en een 6,9. De verklaring is dat de politieke vrijheid bij ons groter is. Autonomie is dan ook, naast welvaart, een tweede geluksmaker, zoals de geluksprofessor Ruut Veenhoven het zegt: „Het zelf mogen kiezen van partner, baan en levenspad.” De stakkers die economische en politieke vrijheden ontberen, zoals de gelukzoekers die naar Europa reizen, begrijpen dit beter dan geleerde filosofen.

Maar wat zegt een gemiddelde geluksscore nu eigenlijk? Voor de somberaars volgt er altijd een ‘maar’. Zij wijzen op de hulpverleners in de psychische zorg: zij kunnen het werk niet aan!

Op een zaterdagmiddag, vlak voor kerst, zijn alle 1.600 stoelen in de Nationale Opera in Amsterdam bezet als drie populaire psychiaters komen vertellen „dat we worden overspoeld door een golf van depressies, burnouts en eenzaamheid. Hoe kan het dat miljoenen mensen leegte en ongeluk ervaren?” De conclusie is bitter: de maatschappij maakt ons ziek.

NRC interviewt het Vlaamse drietal en noemt hen „supersterren” en „duiders van de tijdgeest”. Dirk de Wachter spreekt over het egocentrisme in de maatschappij, hij noemt het „de permanent gezwollen ikkigheid, gelijk een priapisme”. (Voor wie niet thuis is in dit jargon: een priapisme is een urenlange, pijnlijke erectie – geen teken van opwinding, maar een urologische noodsituatie.) Paul Verhaeghe: „We zijn individueler en eenzamer dan ooit”. Damiaan Denys spant de kroon: „We blijven maar eten en drinken en feesten, het milieu gaat om zeep… En we feesten maar verder.”

Op de vraag wat er dan moet gebeuren, antwoordt Denys, hoofd van de afdeling psychiatrie van het AMC in Amsterdam: „Een oorlog”. Zijn vervolg is veelzeggend: „Oorlog is een ctrl-alt-delete-systeem waarna je met nieuwe normen en waarden begint. In de jaren dertig ging Freud naar Londen, de psychoanalyse kwam op, en iedereen in die stad werd neurotischer. Totdat de Duitsers met hun V1 en V2 aan de gang gingen, en binnen twee weken tijd verdwenen al die neurotische klachten als sneeuw voor de zon.”

Lees ook: Oorlog is géén medicijn tegen melancholie

Dominees zonder God

Als u niet meer de verschrikkingen van deze bombardementen op het netvlies heeft: de eerste V2 werd op 8 september 1944 vanaf de hoek Lijsterlaan / Konijnenlaan in Wassenaar afgevuurd op Londen. Tot en met maart 1945 volgden meer dan 1.300 raketten. De Londenaren hadden misschien even geen tijd voor de psychiater, maar een heel lange tijd na de oorlog waren de flashbacks en de post-traumatische stress nog steeds aanwezig.

En als oorlog geen redding brengt, dan toch wel het coronavirus. In Trouw zegt Denys: „Het coronavirus is een gezonde correctie op onze megalomane levensstijl, een tik van de Schepper”. In NRC: „Waarom omhelzen we het niet als vriend in plaats het als vijand te bevechten? Waarom nodigen we het niet uit om in duende met ons te dansen?”

Welnu, wij bedanken voor de uitnodiging van deze ongelukzoekers om met het virus te dansen, ook niet in duende. Wij, bendeleden, zien niets in een loutering door 1.300 raketten of Covid-19. Tegenover deze dominees zonder God brengen wij de moderne psychiatrie in stelling. Psychische klachten zijn in de eerste plaats geen symptomen van een ontspoorde samenleving, maar een teken dat het individu zich wil bevrijden van stoornis en ziekte.

Psychiaters en psychologen leerden ons steeds beter helpen – en opnieuw is de negentiende eeuw een waterscheiding. Na het wonder van de moderne natuurwetenschap ontwikkelt zich, met vallen en opstaan, het onderzoek naar onze innerlijke natuur: de verkenning van de weg naar binnen. De psychiater gaat het gesprek aan met de patiënt. We leren praten. Het is een daverende vooruitgang in onze cultuurgeschiedenis – de eerste analyse van de psyche, van onze gevoelens, motieven, wanen en intuïties.

Na het praten kwamen ook de pillen. In de loop van de twintigste eeuw leerden we meer over de biochemische processen in het brein. Negatieve gevoelens en dwanggedachten kunnen duiden op een verstoorde serotoninebalans, die we kunnen beïnvloeden met antidepressiva. Een combinatie van praten en pillen, zo leert onderzoek, levert de beste resultaten. Filosofen hebben vooral oog voor het omineuze getal van één miljoen: het aantal Nederlanders dat aan de antidepressiva zit. In hun ogen hét bewijs van de depressie-epidemie. En natuurlijk bieden pillen voor hen geen oplossing: de mens mag niet bezwijken voor de verleiding van ‘snel geluk’, alsof er ‘een shortcut’ naar de gelukzaligheid bestaat via een dagelijks pilletje.

De feiten zijn de beste remedie tegen dit gemakzuchtige pessimisme. Bij dat miljoen zitten ook mensen die hun recept maar één keer hebben opgehaald en allang niet meer gebruiken. In hun boek Even slikken berekenen de psychiater Christiaan Vinkers (VUMC) en apotheker Roeland Vis dat zo’n 150.000 Nederlanders het middel langdurig slikken vanwege een depressie. Vanaf de jaren tachtig is dit cijfer stabiel. Dus hoezo epidemie?

Lees ook: Depressie-epidemie vraagt om filosofen en technologen

Neurologische architectuur

En: depressie is geen welvaartsziekte – op alle continenten komt het ongeveer even vaak voor. De wetenschappelijke behandeling van depressie daarentegen, is wel een typisch welvaartsfenomeen. In lage-inkomenslanden krijgt 1 op de 27 mensen met een ernstige depressie een adequate behandeling. Dat dokters en psychiaters in ons land de ziekte wel onderkennen en behandelen, levert een belangrijke bijdrage aan ons almaar stijgende geluk.

Ook kregen we meer inzicht in de neurologische architectuur van de hersenen. Dit leidde tot nieuwe oplossingen, zoals de ‘diepe hersenstimulatie’. Patiënten krijgen elektroden in hun hersenen, zo’n zes centimeter diep. Via stroomstootjes uit een batterij worden hersengebieden gedeactiveerd. Parkinsonpatiënten hebben er baat bij, evenals verslaafden en degenen die lijden aan een zware depressie.

Deze innovatie is misschien niet volmaakt – voor zover uitvindingen dat ooit zijn – maar het palet van behandelingen is wel rijker geworden. In 1621 schreef de depressieve geleerde Robert Burton in The Anatomy of Melancholy nog noodgedwongen: „Wat niet genezen kan worden, moet worden doorstaan.” In zijn tijd zat er weinig anders op dan het ongeluk manhaftig te verdragen. De mensen dachten dat armoede onuitroeibaar was en altijd zou blijven bestaan, omdat God het nu eenmaal zo heeft gewild. Ze dachten ook dat de wereld altijd een tranendal zou zijn. Ze hadden allemaal ongelijk. Vierhonderd jaar en vele wetenschappelijke doorbraken verder is er niets nobels aan de gedachte dat leven lijden is, en dat we moeten leren ongelukkig te zijn. En dat we ondanks al onze welvaart en vrijheid nog steeds even ongelukkig zijn? Geloof er maar niets van.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.