Fronsend met de pijp tussen de kiezen

De laatste bladzijde In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Nico Klein (1934-2020 was het prototype van de voor lezers bijna onzichtbare bureauredacteur.

Het zou nog bijna tien jaar duren voordat de twee noodlijdende kranten NRC en Algemeen Handelsblad de succesvolle fusiekrant NRC Handelsblad zouden vormen. Nico Klein, op 16 mei op 85-jarige leeftijd overleden, waagde de stap van de regionale pers naar een landelijk dagblad: hij wilde aan de slag bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant en ging op sollicitatiegesprek bij hoofdredacteur Lex Stempels. Die had een duidelijke boodschap: het was een voorrecht om bij de NRC te werken en het salaris was van ondergeschikt belang.

De in 1934 in Amsterdam geboren en in Zwolle opgegroeide Klein mocht zich in 1961 NRC-redacteur noemen; in het jaar dat hij trouwde en zijn stiefvader Ko de Wit met pensioen ging als hoofdredacteur van de Zwolsche Courant, trad Klein toe tot de buitenlandredactie. Daar erfde hij van zijn voorganger het pakket Midden-Oosten/Afrika/Latijns-Amerika – een kleine honderd landen. Ook zijn biologische vader zou trots op hem zijn geweest: Nicolaas Klein was redacteur/verslaggever bij het ANP. Hij overleed plotseling toen Nico twee was.

Naast die twee journalistieke voorbeelden had NRC-redacteur Klein een gedegen bagage: na het gymnasium was hij leerling-journalist bij het Haarlems Dagblad, volgde hij een opleiding aan het Instituut voor Perswetenschappen, werd hij voorlichtingsofficier bij de luchtmacht en vertrok hij al jong naar Wenen om van daaruit als plaatsvervangend correspondent voor regionale (GPD-)kranten bijdragen te leveren over de opstand in Hongarije (1956). Voor zijn transfer naar de Witte de Withstraat in Rotterdam, waar de NRC was gevestigd, was hij buitenlandredacteur bij de Haagsche Courant.

Als NRC’er maakte hij aanvankelijk reisreportages (Midden-Oosten, Afrika, Turkije) maar het bureau zou tot ver in de twintigste eeuw zijn belangrijkste werkplek zijn. Altijd kaarsrecht op zijn bureaustoel en vaak een pijp tussen de kiezen geklemd. Er ging een weldadige rust van hem uit, herinnerde een collega zich in de afscheidskrant voor Klein bij zijn pensionering in 1999. „Als er weer iets onbehoorlijks was gebeurd in het Midden-Oosten, dan fronste Nico de wenkbrauwen, verzamelde een stapel krantenknipsels en wijdde daar een weldoordachte ‘De Toestand’ aan.” Later zouden zulke artikelen nieuwsanalyses worden genoemd.

Na de fusie – ook een journalistieke clash tussen zakelijk Rotterdam en hip Amsterdam – verschenen er collega’s in spijkerpak en met lang haar op de redactie. Collega’s signaleerden bij Klein een verjonging, ook in zijn kledingstijl (‘nooit te gewaagd, steeds smaakvol’). Toen in de tweede helft van de jaren 80 de computer kwam, kort voor zijn overstap in 1987 naar de eindredactie, paste hij zich niet alleen moeiteloos aan maar werd hij ook een deskundig gebruiker. Het redactioneel systeem had voor hem geen geheimen, en hij deelde zijn kennis graag.

Klein op z’n afscheidsfeest in 1999.

Nico Klein groeide uit tot het prototype van de voor lezers bijna onzichtbare bureauredacteur. Hij deed zijn werk bij voorkeur zo onopvallend mogelijk, veelal in dienst van anderen. Hij belde vrijwel dagelijks met de correspondenten in zijn werkgebied, voor de verzoeken van de verschillende redacties. Vanwege het tijdverschil met Washington telefoneerde hij altijd vanuit huis met Amerika-correspondent Sytze van der Zee. Vanuit een werkkamer waar de typemachine eeuwig ratelde en waar je niet doorheen kon lopen omdat die gevuld was met boeken, archieven, knipsels en herinneringen aan reizen, vertelt Nicolette Klein, een van zijn twee dochters.

Zulke gesprekken met correspondenten vergen – nu is dat niet anders – ook tact en empathie van de bureauman, die ook een beetje de zielzorger is van de man of vrouw op grote afstand van de krant. Klein in 1995 over de Amerikaanse kant van de lijn, in het jubileumboek over 25 jaar NRC Handelsblad: „Een enkele keer wordt er wat gegromd: ‘Ja jezus christus, ik ben geen letterfabriek, laten ze het zélf doen’, maar elke keer weer als ik ’s morgens op de krant kom ligt het stapeltje gefaxte vdZee’s al op m’n bureau te wachten.”

Buiten het werk luisterde Klein graag naar jazz (Miles Davis, Lionel Hampton) en klassieke muziek (Mahler) en soms speelde hij zelf piano. Hij was bovengemiddeld geestig en immer vrolijk (vaste begroeting: ‘Haiho!’).

Journalisten als Klein heb je altijd te weinig, stond er boven een stukje dat een lid van de hoofdredactie in 1999 maakte voor Kleins afscheidskrant: „Zelden is er gebrek aan ambitieuze jongeren die het ultieme essay of de grensverleggende reportage willen schrijven. Maar zonder de in het vak doorknede collega die ons allen behoedt voor inhoudelijke, grammaticale en andere uitglijders zou de krant niet zijn wat hij is.”

Dat deed Klein ook na zijn pensionering: tot ver in de nieuwe eeuw was hij verbonden aan de krant, als eindredacteur van de weekeditie voor het buitenland. Laatste klus, tot op zijn 78ste, van huis uit: de eindredactie van boeken van NRC-redacteuren en -correspondenten. Als vlotte tachtiger kwam Nico Klein nog één keer naar de krant, om op een nieuwjaarsborrel de hand te schudden van oud-collega’s én de hoofdredacteur, en te toosten op het nieuwe jaar.