Recensie

Recensie Boeken

Het bedriegerssyndroom van een succesvolle schrijfster

Claudia Durastanti Nog geen veertig is Claudia Durastanti en het succes lacht haar toe. Alles op orde denk je, maar nee: Durastanti lijdt aan het bedriegerssyndroom. De vreemdelinge (●●●●●) is het verslag van een existentiële crisis.

Foto Tony Cenicola/The New York Times

Nog geen veertig is Claudia Durastanti en het succes lacht haar toe. Ze is een gezocht literair vertaler Italiaans-Engels. Ze is journalist bij het gerenommeerde Romeinse dagblad La Repubblica. Ze is een bekroonde schrijver van romans en essays. Ze woont in Londen. Alles kits, maar nee, dat vindt zij niet.

Haar boek heet De vreemdelinge. Want zo voelt ze zich, wat ze ook doet en waar ze ook is – iemand die daar niet hoort. Het boek heet ‘roman’. Het is meer een werkelijkheids-whodunnit. Zonder moord. En de dader is bekend, het is de ‘ik’ die Claudia heet en haar biografische gegevens deelt met de schrijfster. Maar wat is de daad? Wat heeft ze gedaan? Dat moet ze uitzoeken.

Enne…, associeert ze, weten jullie waarom de roman De vreemdeling van Camus in het Engels The Outsider heet en niet The Stranger?

Zij wel: omdat die titel bezet was door de vertaling van een roman van de Poolse schrijfster Maria Kuncewiczowa, uit 1936. Dat boek gaat over een vrouw, een balling, die zich in doodsangst en woede door het leven slaat, tot ze zichzelf verstikt in een kussen. Durastanti, geboren in Brooklyn en volwassen geworden in het schrale zuiden van Italië, herkent zich in dat boek. Ook zij schaamt zich altijd, ook zij is bevangen door het ‘bedriegerssyndroom’. Wat voor De vreemdelinge niet slecht is, want dat zoemt van de smakelijkste voorbeelden van het ze-hebben-me-door-complex. Zo stopt ze een badpak in haar koffer als een hotel een zwembad heeft. En realiseert zich ter plekke dat ze zich laat kennen als een armoedzaaier. Want het zwembad is leeg. Zij is de enige hotelgast die het als een luxe beschouwt waar je van moet profiteren. En hoe kan het trouwens dat ze in Londen woont, waar ze nog altijd zo vreemd is dat ze niet over straat kan ‘zonder alles te transformeren tot een testament of een hartaanval’?

Skeletjes

Dit boek, met zijn vracht herinneringen, associaties, mini-essays en curieuze verhalen, is een legplaat met scherven, lapjes, kralen, verbandresten en skeletjes als puzzelstukken. Het zal een toer geweest zijn om het te vertalen, maar Manon Smits temt tochtige zinnen, weet hoe het swingen moet, is plotseling hoekig, of pathetisch, of gereserveerd – en houdt de woordenstroom probaat op spanning.

De vreemdelinge begint bij het begin van de schrijfster: ‘Mijn moeder en mijn vader leerden elkaar kennen…’. Maar halverwege die eerste zin dreigt haar vader van de brug de Tiber in te springen, Rome’s eigen Styx. Haar aanstaande moeder houdt hem tegen.

Die moeder is een hippie en verkeert ‘in de spleten van de stad, heen en weer deinend tussen Piazza Navona en het Trastevere van kunstenaar Mario Schifano’. Hola. Mario Schifano. Ken ik die? Ik moet hem opzoeken, maar dat doe ik niet. Geen zin, want Durastanti associeert nu naar de oceaanexpeditie die de whale fall (dode walvis wordt apart ecosysteem op de zeebodem) ontdekte. En dan naar de in 1970 gestrande potvis in Oregon die werd volgepropt met explosieven en opgeblazen. En nu is ze terug bij haar moeder, die niet wist of ze ‘een substantie moest zijn die wegzinkt of een die explodeert’.

Ook haar vader hing rond op Piazza Navona. Hij dealde cocaïne. Nu ja, het was gipspoeder, hij is een oplichter. En een hartstochtelijke gokker. Haar moeder ook. Hun idee van vakantie is het casino in Venetië. Ze zijn bohémien en onhandelbaar. ‘Ze wisten niet wat de woorden “ik hou van je” betekenden’, constateert hun dochter, ‘en die gebruikten ze dus ook niet’ – wat we letterlijk moeten nemen. Want: ‘Hij was doof, zij ook’. En nu niet ‘o ja, Irma Sluis’ associëren: Duras-tanti’s ouders hebben het altijd verdomd om gebarentaal te gebruiken. Dat vinden ze iets voor gehandicapten. Ze prefereren liplezen en ze praten met uitschietende stemmen, waar hun dochter zich voor geneert.

Dwingende ouders

Claudia Durastanti (1984) groeide op met ouders die iedereen om zich heen dwingen ‘zich over te geven aan hun mogelijke waanzin’. Maar ze hoeft geen medelijden: ‘Er is niet één gewelddaad in mijn leven waaraan ik kan terugdenken zonder te lachen.’

De doofheid van haar ouders betekent voor Claudia een zoektocht naar het ervaren van complete stilte. In het Guggenheim Museum in New York wordt ze bevangen door het gevoel op te lossen in een installatie van Doug Wheeler, een ‘semi-anechoïsche kamer’ waar volmaakte stilte heerst. Maar neem ook eens de ondertiteling voor doven en slechthorenden bij films. Die is beledigend inadequaat en inspireert haar tot alinea’s vol voorstellen tot verbetering, zodat haar moeder, een filmfan, nou eens naar behoren van een film kan genieten. Met ondertitels in kleuren en verschillende lettertypen. Dansend over het beeld. Pulserend als een hartslag. Langzaam verdwijnend, als er wordt gefluisterd. En sowieso geformuleerd door dichters.

Dat zoeken naar stilte verhindert trouwens niet haar luidruchtigheid. Zo móet ze even kwijt dat ze de nicht kent van de enige vrouw die van de Arc de Triomphe sprong. Of die ontmoeting met een bedelende vrouw in de Londense metro. Hun gesprek leidt tot meesterlijke passages over daklozen die zich staande houden door te figureren als ‘gewone’ mensen.

Uit werveling en chaos boetseert Claudia Durastanti het verslag van een existentiële crisis. Het voelt als verraad dat ze haar carrière en haar leven baseert op taal, terwijl woorden voor haar ouders ‘verspilling van tijd en betekenis’ zijn. Ze is het koekoeksjong, het kind dat anders is. Ze werd de erudiete, artistieke taalgebruiker die de vrijheid veroverde om dit boek te schrijven. Voor de goede orde: haar moeder leest er even in, ‘en zegt dat ik het helemaal mis heb’.