Recensie

Recensie Boeken

Na 23 jaar keert de kanker terug

Pieter van den Blink Twee keer in zijn leven, met 23 jaar tussenpauze, krijgt Pieter van den Blink (1966) kanker. Zijn debuutroman is een boeiende ontdekkingsreis naar zichzelf, zijn verstikkende jeugd in het deftige Amsterdam-Zuid en de liefde.

Man and shadow on sand beach from above

Wat wil je het liefste zijn? Onbehandeld natuurlijk, ‘zoals een plank bij de houthandel of biologische groente’, stelt Pieter van den Blink (1966) in Het allerbeste. Twee keer in zijn leven, met 23 jaar tussenpauze, krijgt hij kanker in zijn hals. Wie begint te lezen, denkt dan ook met een kankerboek te maken te hebben: een verkenning van de ziekte, van wat het betekent ziek te zijn, een verslag van wat er gebeurt – spitsvondig en gevoelig geschreven. Maar Van den Blinks autobiografische roman biedt meer. Het is een soort ontdekkingsreis. Naar zichzelf, naar wie hij was en werd, binnen de context van de ziekte, zijn herkomst en de liefde.

Van den Blink schrijft beeldend, intelligent en speels. Vaak over taal: ‘Met [het] woordje “uit” is het oppassen geblazen. In doktersjargon is dat niet het “uit” van uitgeslapen of uitgedeukt maar van uitgepraat en uitgedoofd.’ Hij is luchtig tegen de klippen op, klaagt niet, zeurt niet, observeert en verwoordt des te beter: ‘Mijn kracht [...] zit in de overgave. Als lijdend voorwerp ben ik voortreffelijk.’

Van den Blink groeit op in een chic huis waar alle gezinsleden ‘een eigen afdeling’ bewoonden

Maar als onderwerp is hij ook lang niet gek. Zijn zelfonderzoek begint als de kanker rond zijn vijftigste voor een tweede keer opduikt in zijn leven, met de vraag wat voor zoon hij eigenlijk is geweest. ‘Je was wel heel moeilijk’, aldus zijn vader, die zelf, zo blijkt al ras, ook wel heel moeilijk is – en heel geestig. Zo vader, zo zoon.

Deftige Amsterdam-Zuid

Tastend, zoekend, maar toch steeds op trefzekere toon, beschrijft Van den Blink de sfeer in zijn ouderlijk huis. Die was statig en verstikkend. Er werd weinig gedeeld tussen de gezinsleden. Ze woonden in een chic huis ergens aan een deftige kade in Amsterdam Zuid, waar maar liefst vijf wc’s waren en waar alle gezinsleden ‘een eigen afdeling’ bewoonden. Van den Blink was als kind angstig, te dik en onsportief. Bij zijn ouders vindt hij weinig beschutting. Helemaal duidelijk wordt niet wat er wringt, maar dat is juist mooi aan deze roman. Van den Blink laat zijn lezers ruimte om te raden in plaats van de terugblik eenduidig in te kleuren. Dit is geen hapklaar verhaal, maar veeleer een verkenning van hoe het geheugen werkt, van wat oorzaak is, wat interpretatie, wat gevolg, wat gevoel.

De grootste horror in het leven is, het staat er haast terloops, de stilstand. Als vroege twintiger, toen Van den Blink voor het eerst ziek was, trof hem keihard ‘hoe alles buiten doorging, maar ik niet meer mee mocht doen’. Dat gevoel had hij als kind ook al, maar een ziekte plaatst je pas echt op afstand van anderen die ‘normaal’ zijn. Hij wil zich verbonden voelen, ziek of niet ziek, kind, student of volwassene. Over de wens mee te mogen (en te kunnen) doen en ‘erbij te horen’, gaat eigenlijk het hele boek.

In Het allerbeste staat ook de grote liefde beschreven die Van den Blink als student beleefde. Aanvankelijk is hij in die jaren ‘een amoureuze flierefluiter’, maar op een dag wordt hij echt verzengend verliefd. Ook hierover schrijft hij beeldend, en toch zijn het de zwakste stukken van het boek. Al te onduidelijk blijft wat er zo geweldig is aan het meisje in kwestie. Wel weer mooi zijn de reflecties op zijn eigen gedrag van toen, gegijzeld door de liefde.