Recensie

Recensie Boeken

Deze debuutroman is als de Iraanse ‘La meglio gioventù’

Nazanine Hozar De debuutroman van deze Iraans-Canadese schrijver is een robuuste familiegeschiedenis met opera-achtige plotwendingen.

Een betoging tegen sjah Mohammed Reza Pahlavi in Teheran aan de vooravond van de revolutie van 1979.
Een betoging tegen sjah Mohammed Reza Pahlavi in Teheran aan de vooravond van de revolutie van 1979. Foto Ahmad Kavousian/Getty Images

Wanneer een eenvoudige legerchauffeur in Teheran een baby tussen de vuilniszakken vindt, noemt hij het meisje Aria. In Iran is Aria een jongensnaam, die ‘de nobele’ betekent, maar hij vernoemt haar naar de Italiaanse liederen, de aria’s die hij, Behrouz, stiekem zong als kind. ‘Kleine verhaaltjes, kreten in de nacht’, fluistert hij haar toe. ‘Als je een aria zingt, weet de wereld alles van je. Je dromen, je geheimen. Je pijn en je liefde.’

De aria die in de gelijknamige debuutroman van de Iraans-Canadese Nazanine Hozar gezongen wordt, vertelt over de pijn en de liefde van de stad Teheran in aanloop naar de Iraanse revolutie (1979). Beginnend in de jaren vijftig en eindigend bij de rellen die de machtsgreep van Khomeini inluiden. Alle economische en sociale milieus doorkruisend, heeft Aria iets van een epos – als het niet zo blurbachtig zou klinken, zou ik zeggen: de Iraanse La meglio gioventù.

Aan het einde van Behrouz’ leven, als Aria een heftige, sprankelende, onbevreesde puber is, observeert hij dat zijn pleegdochter twee kanten heeft die gelijktijdig bestaan: ze kan op hetzelfde moment zowel boos zijn als verrukt. ‘Haar gezicht was als dat van Mona Lisa, die met één blik zowel innemende vriendelijkheid als berekenende minachting uitstraalde.’

Moederschap

Aria verenigt meer tegenstellingen in zich: ze is een driftige tomboy, maar groeit uit tot een zelfopofferende moeder; ze is een straatschoffie en een aristocraat. Dat dit niet geforceerd maar volstrekt natuurlijk overkomt, is een van de sterkste kwaliteiten van deze complexe, breed opgezette vertelling. Het verhaal is zo robuust dat ook de grote, opera-achtige plotwendingen, met onthullingen en geheime brieven, vloeiend inpassen. Door de historische inbedding voelen die kunstgrepen nooit te groot: zo wordt juist invoelbaar hoe immens de veranderingen van de revolutie voor de Iraanse burgers moeten zijn geweest.

Mooi is ook hoe moederschap in deze roman vele gedaanten krijgt. Aria wordt omringd door vier moederfiguren, allen even gemankeerd. De homoseksuele Behrouz, zelf moederloos, fantaseerde als kind dat hij een moeder kon zijn. Met de grootste tederheid zorgt hij voor zijn vondeling, maar hij is vaak afwezig, en laat haar dan achter bij zijn vrouw Zahra. Zij is door een seksueel trauma bitter geworden en onthecht, en mishandelt het meisje. Later komt Aria terecht bij de rijke, kinderloze Fereshteh, die haar betere materiële omstandigheden biedt, maar geen emotionele zorg. In de Joodse Mehri ziet Aria eveneens een moeder, maar ook zij kan geen contact met haar maken, om redenen die pas later duidelijk worden. En toch zijn Aria’s veerkracht en levenslust een eerbetoon aan al deze moeders (m/v).

Cliché

Al is Hozars vertelkunst groot, op stilistisch gebied is het boek onvoldragen. De taal vloeit niet, maar voelt afgeraffeld, onder het tapijt van het plot geschoven. Het is de non-descripte stijl van de mainstream Noord-Amerikaanse literatuur. De auteur gebruikt clichématige uitdrukkingen om de spanningen tussen personages uit te drukken, er worden zuchten geslaakt en veelbetekenend met de ogen geknipperd. Hozar heeft een voorliefde voor het afsluiten van dramatische passages met een personage dat wegloopt, gevolgd door een zin als: ‘en ze keek niet meer om’. Je hoort er het Verdiaanse slotakkoord bij.

Hozars proza doet je ergens verlangen naar de heldere poëzie van de beroemde dichters die Perzië heeft voortgebracht. Al moeten we in de hoekige taal misschien toch betekenis zien, want poëzie was gevaarlijk, in de roerige tijden voor de revolutie. ‘Dat is het trieste van dichters’, zegt Fereshteh. ‘Ze schrijven de prachtigste woorden, maar de mensen bekopen die met de dood.’