Opinie

Boom met schaamhaar

Frits Abrahams

Even de vrije natuur in, even per fiets erop uit, dat leek ons wel wat. Laat je actieradius niet te veel inperken door corona! Een moedig besluit – moediger dan het lijkt. Onze berging puilt uit van goederen die we zelden of nooit gebruiken. Het bevrijden van onze fietsen uit die chaos vergt een soort militaire operatie die altijd meer tijd kost dan we hadden gewild. Vervolgens moeten de fietsen een steile helling naar de uitgang van het gebouw worden opgeduwd. Wie daarna nog een Touretappe wil winnen, geef ik weinig kans.

We wilden naar de ons bekende Bretten, een stukje fraaie stadswildernis tussen Amsterdam en Halfweg. Helaas bleek het gebied ‘wegens werkzaamheden’ voor een deel afgesloten, zodat we kilometers moesten omrijden langs een drukke verkeersweg. Wie zijn actieradius ook laat inperken, niet de automobilist. Het duurde een halfuur voor we de eerste struiken hadden bereikt, daarna was het nog een kwartiertje doorpezen naar een bankje waar we onze krentenbollen konden opeten.

Krentenbollen - het klinkt burgerlijk en het ís ook burgerlijk, maar in de natuur onder een milde zon en op een nog onbezoedeld bankje smaken ze er niet minder om. De krentenbolleneters – als Van Gogh ons had gezien, had hij wel geweten wat hem te doen stond.

Hoeveel happen zullen we genomen hebben toen die auto op het weggetje dat langs onze bank voerde, naast ons stopte? Drie, vier? Het raampje ging omlaag en een man met grote zonnebril keek ons glimlachend aan. In Amerikaanse films kan zo’n man, meestal gespeeld door een pokdalige B-acteur, dan met trage dreiging uit zijn auto stappen voordat hij het angstige echtpaar begint te beroven.

Deze man bleef rustig zitten, terwijl hij, nog steeds glimlachend, zei: „Ik moet u waarschuwen. U bent hier op een plek waar ook de eikenprocessierups zit. U kunt hier beter niet blijven.” Uit een opschrift op zijn portier begreep ik dat hij voor een bestrijdingsdienst werkte.

Hij wees op een plek in het geboomte, twee meter opzij van ons. Onderaan de stam was een grijzige, harige plek zichtbaar – een boom met schaamhaar. Daar zetelde de rups die de mens zoveel jeuk en ander ongemak, tot oogletsel aan toe, kan bezorgen. We begonnen de krentenbollen al op te bergen. „Wilt u er misschien een?” vroeg mijn vrouw, maar de man bedankte beleefd.

Kilometers verderop vonden we een ander bankje, maar dat was al bezet door een oud echtpaar. „Die oude mensen ook altijd”, knorde ik. We konden onze bollen pas opeten in de nabijheid van een bedrijfsterrein, dichtbij een jaknikker in vol en luid bedrijf. „Leve de vrije natuur”, riep ik. Als je de moed erin wilt houden, moet je mij niet meenemen, maar mijn vrouw is wel wat gewend.

We moesten weer terug. Langs diezelfde drukke weg. Bij menige oversteekplaats was ik gedwongen op het knopje van het verkeerslicht te drukken. Tegenwoordig probeer ik dan elke keer te denken: geen hand meer naar je gezicht!

Mijn vrouw moest nog een paar boodschappen doen in de stad. Ik stond op de stoep te wachten toen ik een ongerechtigheid voelde in mijn gebit. Een stukje krent? Ik tastte met mijn wijsvinger in mijn mond en besefte een fractie van een seconde later: stóm, stóm!

Wil je overleven? Mijd dan mens én natuur, en doe die fiets er maar bij.