Opinie

De landelijke verdeling van kunstgelden is elitair

Opinie 010 Rotterdam wordt stelselmatig achtergesteld in het landelijk cultuurbeleid, en dat heeft elitaire wortels, zegt Co Engberts. Het bruisende culturele leven in de stad voldoet niet aan het intellectuele kwaliteitscriterium van de Raad voor Cultuur.

Illustratie Ank Swinkels

Het advies van de Raad voor Cultuur voor het cultuurplan 2021-2024 is in Rotterdam hard aangekomen. Vooral het negatieve advies over Scapino Ballet is desastreus. Het hart wordt uit de Rotterdamse dans geslagen; landelijk verdwijnt feitelijk de basis uit de „landelijke basisinfrastructuur” (BIS). De Raad stelt zelf dat Scapino het enige grote gezelschap is dat met toegankelijke dans door het land reist, daarmee een groot publiek trekt, en dus zorgt voor verbinding met een niet op voorhand geïnvolveerd publiek.

Het is de zoveelste keer dat Rotterdam er in de landelijke bedeling relatief op achteruitgaat. Er blijft een schamele 12,5 miljoen euro over, waar Amsterdam een stijging noteert met 14,9 miljoen. Amsterdam krijgt 86 miljoen, 44 procent van het beschikbare budget voor de BIS. Rotterdam is hekkensluiter van de G4 geworden.

Wat is hier aan de hand? Het eigen budget voor cultuur bedraagt nu al 86 miljoen euro, en daarmee investeert Rotterdam gerekend per inwoner zo’n beetje het meest. De Rotterdamse reactie is tot dusverre telkens weer dat we niet moeten klagen. De schouders eronder en er geen Ajax-Feijenoord van maken. Maar het wordt tijd om ons af te vragen of hier sprake is van een patroon.

‘De vernieuwing moet misschien niet komen van grote instellingen.’

Twee begrippen spelen een sleutelrol: regionalisering en kwaliteit.

De discussie over regionale spreiding speelde ook in vorige kunstenplannen. Maar de Raad doet alsof het deze keer ernst is en motiveert daarmee de doodsteek voor Scapino. Die spreidingsdiscussie wordt al jaren gevoerd aan de hand van een Randstad-versus-Regio-dichotomie. Daarmee wordt systematisch verhuld dat in de verdeling van middelen alleen Amsterdam spekkoper is. De andere grote steden in de Randstad worden in feite behandeld als provinciesteden. Het frame van de Randstad-regio is inmiddels zo sterk ingeburgerd dat het door de Raad zonder meer gebruikt wordt om de prijs van de verevening uitgerekend door Rotterdam te laten betalen. Je zou toch verwachten dat het geld voor de regio wordt weggehaald daar waar het geld zit, en niet bij de stad die met een fooi wordt bedeeld!

Met dit advies ontstaat de paradoxale situatie dat er niet meer geld naar de regio gaat, maar juist meer geld naar de Randstad, in casu naar Amsterdam en Utrecht. Boeiend is wel dat de Raad dit zelf ook constateert waar zij stelt dat er „een grote concentratie van voorzieningen blijft in de Randstad, in het bijzonder in Amsterdam en Utrecht”. En dan volgt een zeer interessante zin: „deze gegroeide situatie is vanwege de daar (in Utrecht en Amsterdam dus) ontstane kwaliteiten ook niet te vermijden”. Als die concentratie voor de Raad klaarblijkelijk onvermijdelijk is, dan kunnen we nu al voorspellen dat Rotterdam het in de volgende ronde helemaal kan vergeten.

Hoe wreed dat Scapino nu niet kan terugvechten

Hier raken we aan het fenomeen kwaliteit en de heersende opvatting daarover bij de kunstgoeroes die de lakens uitdelen. Het motto van dit cultuurplanadvies is „Cultuur dichtbij voor iedereen”. Daar komt weinig van terecht als je ziet hoe het kwaliteitsbegrip wordt gehanteerd bij de verdeling van middelen. Die komen immers terecht bij de categorie van welvarende hoger opgeleide burgers die we met name vinden in steden als Amsterdam en Utrecht. Binnen de G4 zijn Rotterdam en Den Haag de relatief arme steden met minder hoogopgeleiden. Die steden kennen een bruisend cultureel leven, dat niet beantwoordt aan het intellectuele kwaliteitscriterium dat de Raad hanteert. We zien dit terug in het advies over Scapino: Lovende woorden over de grote publieksaantallen en over de „toegankelijkheid” van de voorstellingen, maar toch te weinig kwaliteit want niet vernieuwend.

In het advies voor het HipHopHuis zien we een zelfde redenering. Het HipHopHuis is in Rotterdam de spil in een beweging die urban culture tot een authentieke kunstvorm maakt. De uitkomst van de advisering is een ja-mits, en die mits heeft juist betrekking op de artistieke kwaliteit: niet vernieuwend. De raad waardeert de educatieve inspanning en de bijdrage aan de jongerencultuur, maar concludeert dat de meerwaarde van het HipHopHuis „eigenlijk zit in de bijdrage aan de vernieuwing van de samenleving”. Dus niet in de artistieke kwaliteit. Het gevoel bekruipt me dat ook hier de direct aansprekende expressievorm van de HipHopcultuur, die niet wordt bemiddeld door opleiding of culturele bagage, niet naar waarde wordt geschat.

Probleem met dit kwaliteitsbegrip is dat vernieuwend en uitdagend vrijwel uitsluitend wordt geassocieerd met complexiteit. Kunst die niet complex is wordt daarmee onmiddellijk geassocieerd met het bloemencorso.

De Raad ziet volledig over het hoofd dat er in steden zoals Rotterdam veel kunst wordt gemaakt die appelleert aan de Rotterdamse bevolking, bruist en opkomt in de wijken. Die voorziet in een urgente culturele behoefte, die evenzeer uitdaagt en vernieuwend is, en om die reden artistieke kwaliteit heeft.

Het wordt hoog tijd dat we inzien dat er in ons cultuurbeleid sprake is van institutionele discriminatie van mensen die hun culturele maatstaven niet ontlenen aan de smaak van de intellectuele elite. Ondanks de mantra „kunst voor iedereen” zien we dat de kunsten steeds verder wegdrijven van de samenleving en dat het beleid de segregatie bevordert. We zien dat dit beleid ook ruimtelijke vertaling krijgt door de concentratie in steden waar de culturele elite resideert en in de systematische achterstelling van steden als Rotterdam. Nu de Raad zelf deze segregatie als een onvermijdelijke ontwikkeling aanmerkt wordt het echt tijd om in te grijpen.

, fractievoorzitter van de PvdA in de Rotterdamse gemeenteraad.