Opinie

Tijd dat Den Haag het eigenbelang ziet in Europese steun

CPB-raming

Commentaar

Veel stof deed hij niet opwaaien, de juniraming voor de economie die het Centraal Planbureau dinsdag publiceerde. Dat is begrijpelijk: enige prognosemoeheid mag het publiek niet worden verweten. Alleen al in de afgelopen anderhalve week kwamen De Nederlandsche Bank, de Wereldbank en de OESO met voorspellingen over de wereldeconomie en de Nederlandse economie.

Toch mag de raming van het CPB niet over het hoofd worden gezien. Het zijn de cijfers van dit instituut die later dit jaar ten grondslag zullen liggen aan de begroting voor 2021. Op Prinsjesdag worden die samen met de Miljoenennota openbaar gemaakt.

Het is onder de huidige omstandigheden het best om met scenario’s te werken, en dat doen veel voorspellers, waaronder het CPB, dan ook. Het verloop van de pandemie is grillig en onvoorspelbaar. Landen die dachten het virus onder controle te hebben, waaronder China en Nieuw-Zeeland, melden nieuwe besmettingen. In het zuiden van de Verenigde Staten is de pandemie nog in de opgaande fase. Latijns-Amerika ontpopt zich als de nieuwste grote brandhaard.

De ontwikkeling van de pandemie en van medicijnen tegen Covid-19, is zeer ongewis. De economie voorspellen staat op dit moment grotendeels gelijk aan het voorspellen van het virus zelf.

Het basisscenario waar het CPB zelf van uit gaat komt inmiddels bekend voor: een economische krimp van 6,4 procent dit jaar en een verdubbeling van de werkloosheid in de komende tijd. Wat wél opvalt zijn de relatief milde gevolgen van alle steunmaatregelen voor de begroting. Het begrotingstekort komt op 7,6 procent van het bruto binnenlands product en de staatsschuld loopt op van onder de 50 procent naar iets meer dan 61 procent.

Dat is nog steeds zonder meer houdbaar, en weerspiegelt de ruimte die er nog is voor meer steun, mocht de gevreesde tweede coronagolf optreden. Die ruimte is flink minder in veel andere Europese landen, met name in het zuiden. Dat is een economisch risico.

Tot nu toe ligt de Nederlandse economie in zekere zin zelf op de intensive care. Veel vitale functies zijn, met behulp van veel geld, overgenomen door de overheid.

Het wegvallen van de vraag uit het buitenland, met name de rest van de Europese Unie, komt minder hard aan. Maar als de slangetjes, buisjes en elektroden worden verwijderd zal pas blijken in hoeverre de economie op eigen benen kan staan. En dán speelt die buitenlandse vraag plots weer de dominante rol van voorheen.

De Duitse regering accepteert, eerder dan Den Haag, dat financiële hulp aan onze eigen afzetmarkten voor een groot deel eigenbelang is. Bondskanselier Merkel lanceerde vorige maand een plan samen met de Franse president Macron voor een fonds van 500 miljard euro - dat door Brussel inmiddels is opgeblazen tot 750 miljard. Woensdag zei Armin Lanschet, de premier van Noordrijn-Westfalen, partijgenoot van Merkel en mogelijk haar opvolger, in deze krant dat een Europees noodplan onze eigen economie helpt.

Vrijdag vindt een (virtuele) Europese top plaats waarin steun het belangrijkste agendapunt wordt. Nederland, tot nu toe zeer kritisch over steun, kan bij die gelegenheid laten zien dat het aansluiting zoekt. Natuurlijk moet het geen financieel feest worden, moeten er garanties zijn, en geen in marmer gehouwen precedenten. Berlijn is ook niet gek. Maar geschoven moet er worden. Want ‘geen cent naar het Zuiden’ betekent nu steeds meer: ‘geen cent naar onszelf’.