Scherpere eisen aan ‘groen‘ ondernemen

Transparantie Bedrijven die zichzelf 'groen’ noemen, zullen aan strengere eisen moeten gaan voldoen, met name op Europees niveau. Een Europese wet stelt zes eisen aan ‘duurzame’ investeringen.

Nederlandse bedrijven, zoals palmolieproducent Bunge Loders Croklaan in Wormerveer (rechts), moeten voortaan aan diverse criteria voldoen voor ze het etiket duurzaam mogen voeren. foto bert Verhoeff
Nederlandse bedrijven, zoals palmolieproducent Bunge Loders Croklaan in Wormerveer (rechts), moeten voortaan aan diverse criteria voldoen voor ze het etiket duurzaam mogen voeren. foto bert Verhoeff

Twee initiatieven die deze donderdag zijn gepresenteerd moeten een belangrijke bijdrage gaan leveren aan de vergroening van Nederlandse bedrijven en financiële instellingen.

In het Europees Parlement is een wet aangenomen met criteria voor duurzame investeringen. En De Nederlandsche Bank heeft, samen met het Planbureau voor de Leefomgeving, de financiële risico’s van verlies aan biodiversiteit in kaart gebracht voor bedrijven, en dus ook voor beleggers.

Vooral de gevolgen van de Brusselse wet zullen waarschijnlijk al op korte termijn merkbaar worden. Tot nu toe stond het bedrijven en beleggers min of meer vrij om zichzelf ‘duurzaam’ ‘te noemen. Heldere criteria daarvoor zijn er nauwelijks en openheid over hun investeringen is niet vereist.

In de nieuwe Europese wet zijn zes criteria geformuleerd voor een duurzame investering: het tegengaan van en aanpassing aan klimaatverandering, duurzaam gebruik van water, de overgang naar een circulaire economie, het voorkomen van vervuiling en bescherming van biodiversiteit. Om als bedrijf groen of duurzaam te heten moet aan minimaal één ervan worden voldaan en mogen de overige vijf niet worden geschaad.

Openheid als voorwaarde

Ook openheid is een voorwaarde voor een groen label. Alleen bedrijven en beleggers die bereid zijn hun investeringen langs de meetlat van deze wet te leggen, komen daarvoor in aanmerking. Als ze dat niet doen, worden ze bovendien verplicht om dat expliciet te melden.

Die openheid wordt steeds belangrijker. Dat blijkt ook uit het eveneens deze donderdag gepubliceerde onderzoek Biodiversiteit en de financiële sector: een kruisbestuiving? van De Nederlandsche Bank (DNB) en het Planbureau voor de Leefomgeving. Daarin worden de risico’s onderzocht van het verlies van biodiversiteit voor financiële instellingen.

Eerder concludeerde DNB al dat klimaatverandering bedrijven in de problemen kan brengen. En dat kan weer leiden tot grote financiële risico’s voor beleggers, banken en verzekeraars. Als toezichthouder wil DNB die risico’s beter in beeld hebben. En dus neemt de druk toe om hierover te rapporteren.

Voor het eerst heeft DNB dat nu ook gedaan voor biodiversiteit. Het onderzoek is niet meer dan een eerste verkenning van zogeheten ecosysteemdiensten (alles wat de natuur oplevert voor samenleving en economie wat we min of meer gratis gebruiken) waarvan bedrijven profiteren.

Belang ecosysteemdiensten

Volgens het onderzoek is 36 procent van de onderzochte investeringen van Nederlandse financiële instellingen (510 miljard euro van 1.400 miljard euro) in hoge of zeer hoge mate afhankelijk van één of meer ecosysteemdiensten.

Verlies van biodiversiteit gaat ten koste van de vanzelfsprekendheid van deze ecosysteemdiensten en kan bedrijven dus ernstig in de problemen brengen. Denk bijvoorbeeld aan bijensterfte: daarvan kan de landbouw grote schade ondervinden als hun producten onvoldoende worden bestoven. Of aan bodemerosie of stikstofvervuiling.

Bedrijven zijn bovendien niet alleen slachtoffer van de aantasting van biodiversiteit, in veel gevallen draagt hun bedrijfsvoering er ook aan bij. De maatschappelijke controverses die waarover ontstaan, kunnen bedrijven dwingen tot kostbare maatregelen, sluiting van vestigingen, boetes en reputatieschade – allemaal financiële risico’s.

Dat die risico’s groot kunnen zijn, blijkt uit het rapport. Zo hebben alleen al ING, ABN Amro en de Rabobank voor 81 miljard euro aan geld uitstaan bij Nederlandse bedrijven die stikstof uitstoten en daardoor nu in de problemen zitten. Wereldwijd hebben Nederlandse financiële instellingen voor 96 miljard euro geïnvesteerd in bedrijven die betrokken zijn bij milieucontroverses, waarvan meer dan 20 miljard is aangemerkt als ‘ernstig’ tot zelfs ‘zeer ernstig’. Ook zijn ze voor nog eens 97 miljard euro betrokken bij bedrijven die in verband zijn gebracht met ontbossing, of daarover schimmig rapporteren.

Onderbouwen ‘groen’ imago

Transparantie is daarom een sleutelwoord in het rapport van De Nederlandsche Bank. Zoals het ook een sleutelwoord is in de Brusselse wet op duurzame investeringen. Geen bedrijf kan zich nog zomaar laten voorstaan op een ‘groen’ imago. Dat moet worden onderbouwd met heldere, voor alle partijen geldende criteria.

Bas Eickhout, Europarlementariër (GroenLinks) en rapporteur voor deze wet, had nog verder willen gaan, door ook ‘bruine’ investeringen als zodanig te oormerken. Daarvoor bestond echter geen meerderheid. Gevolg is dat er geen onderscheid kan worden gemaakt tussen vervuilende en neutrale investeringen, tussen geld voor een kolencentrale en dat voor onderwijs.

Maar volgens Eickhout is dat slechts een kwestie van tijd. Het belangrijkste is volgens hem dat Europa een handvat krijgt om de duurzaamheid van investeringen te beoordelen, zeker nu er na de coronacrisis honderden miljarden beschikbaar komen voor economisch herstel.

Als de Europese Investeringsbank en ook de Europese Centrale Bank hun investeringen daadwerkelijk willen vergroenen, beschikken ze over de criteria om dat te doen. Daarmee gaat deze wet de kern van de financiële wereld raken.