Rapport: ‘Shell breekt belofte om troep op te ruimen’

Olievervuiling Nigeria Shell Nigeria en de Nigeriaanse regering beloofden negen jaar geleden na een shockerend rapport over de ernstige vervuiling in Ogoniland om het gebied schoon te maken. Maar uit een nieuw rapport blijkt dat de situatie nog altijd slecht is.

Ogoniland nog vervuild

Ogoniland nog vervuild

Shell en andere oliebedrijven maken al negen jaar hun belofte niet waar om de olievervuiling in Ogoniland in de Nigerdelta op te ruimen. Daardoor loopt de gezondheid van honderdduizenden Nigerianen gevaar, hebben velen geen toegang tot schoon drinkwater en zijn de mogelijkheden voor landbouw en visserij beperkt.

Dit staat in No Clean-up, No Justice, een rapport van Amnesty International en de milieuorganisaties Milieudefensie, Friends of the Earth Nigeria en Friends of the Earth Europe, dat deze donderdag is verschenen. De vier onderzochten of de aanbevelingen zijn opgevolgd van een baanbrekend rapport uit 2011 van het VN-milieuprogramma (UNEP). Dit rapport kreeg destijds veel aandacht omdat het voor het eerst de verwoesting in kaart bracht van vijf decennia oliewinning en lekkage uit pijpleidingen in dit deel van de Nigerdelta.

Op veel plaatsen was de vervuiling groter dan verwacht. Zo troffen de UNEP-onderzoekers destijds in waterbronnen van de Ogale-gemeenschap concentraties aan van het kankerverwekkende benzeen die negenhonderd keer hoger waren dan aanvaardbaar is volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Daarop beloofde Shell Petroleum Development Company (SPDC)‚ een joint venture tussen Shell en de Nigeriaanse overheid, de „urgente maatregelen” en andere aanbevelingen van het UNEP-rapport uit te voeren.

Onervaren schoonmakers

Van die belofte blijkt negen jaar later weinig te zijn terechtgekomen, constateren de onderzoekers. Slechts op 11 procent van het vervuilde landoppervlak is schoonmaakwerk gedaan en zelfs dat is niet afgerond. Ook voldoet het niet aan internationale normen. Het schoonmaakwerk is gegund aan bedrijven die niet of nauwelijks ervaring hebben met olie opruimen, en zijn actief in „zaken als het fokken van kippen, autoverkoop, handel in textiel en mode, palmolieproductie en de bouw”, aldus het rapport. Zij gebruikten veelal dezelfde „ineffectieve” schoonmaakmethodes als Shell vóór 2011. Terwijl UNEP daar destijds juist felle kritiek op had.

Ook het toezicht op de schoonmaak is in onervaren handen terechtgekomen: bij de Nigeriaanse overheidsorganisatie HYPREP (Hydrocarbon Pollution Remediation Project). Die leidde jarenlang een slapend bestaan en werd in 2016 door president Buhari nieuw leven ingeblazen. Ook in de nieuwe opzet is HYPREP echter niet uitgerust om „zo’n complex en omvangrijk project” uit te voeren als de schoonmaak van het Ogoniland, oordeelde UNEP in november 2019.

In 2011 voorzag UNEP dat voor de eerste vijf jaar van de schoonmaakoperatie een miljard dollar nodig was, die de betrokken oliemaatschappijen zouden moeten betalen. Eind vorig jaar hadden zij hiervoor in totaal slechts 360 miljoen dollar ter beschikking gesteld, citeert het rapport een bericht in The Guardian van afgelopen februari. Daarvan is tot nu toe 30 miljoen uitgegeven, schreef HYPREP aan de onderzoekers, maar waaraan is niet duidelijk. Verslaglegging daarover is er niet.

Dubbelrol van Shell

No Clean-up, No Justice wijst ook op het gevaar van belangenverstrengeling: „Hoewel de meeste olievervuiling uit zijn oliepijpleidingen en oliebronnen komt, is Shell erin geslaagd een sleutelrol te krijgen in HYPREP en bij de besluitvorming over de schoonmaak.”

Zo zit er een hoge Shell-functionaris „op een sleutelpositie in HYPREP”. Als bewoners van Ogoniland twijfelen aan de onafhankelijkheid van HYPREP, zullen ze denken dat het zinloos is om te klagen over slecht uitgevoerde schoonmaakacties, waarschuwt het rapport.

Volgens Dan Leader van het Britse advocatenkantoor Leigh Day vergroot het rapport de druk om „iets te doen aan dit door de wereld vergeten probleem”. Zijn kantoor vertegenwoordigt de Ogale-gemeenschap in Ogoniland, in wier waterbronnen UNEP benzeen aantrof.

„Na de publicatie van het UNEP-rapport heeft Shell dagelijks schoon drinkwater naar het gebied gebracht. Daarna legde het concern een waterleiding aan, maar die haperde voortdurend.” Daardoor is de Ogale-gemeenschap volgens de advocaat alweer „meer dan een jaar aangewezen op vervuilde waterbronnen”.

In 2016 spande de Ogale-gemeenschap een civiele zaak aan tegen Shell in het Verenigd Koninkrijk, omdat daar een van de twee hoofdkantoren van Royal Dutch Shell zit. Leader is druk bezig een zitting voor te bereiden in deze zaak die komende dinsdag bij het Supreme Court dient, het hoogste Britse hof. Dat moet allereerst bepalen of de Britse rechter bevoegd is om te oordelen over de Nigeriaanse Shell-dochter – iets wat Shell bestrijdt.

Verwijten aan adres Shell

Dat vonnis zal ook gevolgen hebben voor zaken tegen Shell Nederland, zoals die van Milieudefensie over olielekkage elders in de Nigerdelta. Leader: „Shell is in Nigeria bij wet verplicht om alle gelekte olie op te ruimen, wat de oorzaak ook is. Shell zegt dat het dat ook doet. Het enige wat wij willen, is dat Shell gaat doen wat het zegt te doen – maar niet doet. Steeds blijkt dat het concern alleen serieus actie onderneemt als het wordt gedagvaard in internationale gerechtshoven.”

Leigh Day vertegenwoordigt ook de dertigduizend bewoners van Bodo, een vissersgemeenschap in Ogoniland. Hun visgronden in de kreken tussen de mangrovewouden zijn onbruikbaar sinds er in 2008 wekenlang olie uit pijpleidingen van Shell stroomde. In 2015 schikten de gemeenschap en Shell dit: het concern betaalde 55 miljoen pond (61 miljoen euro) compensatie aan de bewoners en beloofde het gebied (zo’n duizend hectare) op te ruimen. Dat zou nog eens honderden miljoenen kunnen kosten. „Hoewel alles ook daar langzaam op gang kwam, is Bodo nu de enige plek in de Nigerdelta waar wordt schoongemaakt volgens internationale normen. Maar dat hebben we alleen bereikt door de dreiging van een Britse rechtszaak.”

„Het is deprimerend om te lezen”, reageert geoloog en onafhankelijk consultant David Little. Hij noemt het rapport „indrukwekkend en goed onderbouwd”. Hij was betrokken bij het UNEP-rapport uit 2011, was UNEP-waarnemer bij de onderhandelingen in Bodo en werkte mee aan de schoonmaakoperatie in Alaska na de olieramp door Exxon Valdez.

Little vindt het „teleurstellend dat zelfs het laaghangend fruit niet is geplukt, zoals de aanleg van leidingen met schoon drinkwater voor de bewoners van Ogoniland”.

Even somber stemmend is de toename van bunkering: het illegaal tappen, door criminelen, van olie uit pijpleidingen, en de illegale raffinaderijen, die olie verwerken tot diesel en benzine – wat gepaard gaat met veel vervuiling. Volgens het rapport zijn deze activiteiten verdubbeld sinds 2015 en verschaffen ze duizenden mensen een inkomen. Little: „Het bevestigt mijn indruk dat het bijna een industrie is geworden.”

De milieuorganisaties die het rapport schreven, roepen naast de oliebedrijven vooral de Nigeriaanse overheid op om in te grijpen. Leader: „Dat HYPREP slecht functioneert, is problematisch. Maar de vraag is of oliebedrijven moeten wachten tot dat zijn zaken op orde heeft, of dat ze gewoon de olie moeten gaan opruimen – hun wettelijke plicht.”