Recensie

Recensie Boeken

Zijn gecompliceerde seksleven projecteerde Stefan Zweig op z’n personages

Joseph Roth en Stefan Zweig Beiden schreven over de ondergang van het Habsburgse rijk. Maar waar de een naar de zuivere mens zocht, was de ander gefascineerd door de verdorven mens.

Eens in de zoveel jaar krijgt Stefan Zweig (1881-1942) er zo genadeloos van langs dat zijn grafsteen er blauw van uitslaat. Zo zette in mei de London Review of Books een oud artikel van de Duits-Britse dichter Michael Hofmann online, waarin Zweigs werk met Pepsi Cola werd vergeleken: het was te zoet, te kleverig, te licht van kleur. Zelf zou Zweig een passieve, behaagzieke, neurotische controlfreak zijn geweest, een nepfiguur die tot aan zijn zelfmoord in Brazilië voor alles en iedereen op de vlucht was en aan de lopende band bloedeloze monodrama’s voor ‘teenagers van alle leeftijden’ produceerde. Uit de pen van Hofmann, die als Joseph Roth-vertaler de wereld van Zweig goed kent, klonk zoiets alsof het over de tweelingbroer van Lucinda Riley ging.

Hoewel er een kern van waarheid in Hofmanns kritiek schuilt, is dat literaire doodvonnis onterecht. Want als het om de psychologie van zijn personages gaat, is Zweig een absolute meester en vergeef je hem zijn soms tenenkrommend sentimentele, geparfumeerde zinnen en zijn magere, naïeve plots. De achttien door Ria van Hengel mooi vertaalde verhalen uit Fantastische nacht en andere verhalen, dat enkele maanden geleden verscheen, zijn dan ook alleszins de moeite waard. Al was het alleen maar omdat de menselijke problematiek die Zweig aansnijdt in wezen niet zo heel veel verschilt van die in het huidige tijdperk, van bedreigde overvloed en toenemend onbehagen.

Op de vertelling Schaaknovelle na, gaan bijna alle verhalen uit deze bundel over overspel en andere verboden seks in kringen van de adel en bourgeoisie tijdens de nadagen van het Habsburgse keizerrijk. Verveling en benauwende fatsoensnormen drijven die elite tot seksuele uitspattingen, die verborgen moeten blijven om een schandaal te vermijden.

Seks op de rivierkade

Zweig, afkomstig uit een schatrijke Joodse familie, kende dat door valse erotiek en schijnheiligheid gedreven milieu van binnenuit. In zijn memoires Die Welt von Gestern (1941) heeft hij het er echter nauwelijks over. Hooguit herinnert hij zich zijn angst voor seksualiteit en de losbandigheid van zijn jeugd, toen meisjes onwetend werden gehouden en jongens in het bordeel hun seksuele opvoeding genoten.

Gelukkig vult Ria van Hengel dat hiaat in haar nawoord aan door te vertellen dat Zweigs eigen seksleven nogal gecompliceerd was. Zo nam hij in zijn jonge jaren naaisters, winkel- en fabrieksmeisjes mee naar zijn Weense vrijgezellenflat en zijn Berlijnse en Parijse hotelkamers, had hij op rivierkades in die steden seks met mannen en gaf hij zich in het Schönbrunnpark over aan zijn exhibitionistische neigingen. En altijd was hij bang om betrapt te worden. De innerlijke spanningen die dat laatste opleverde projecteerde hij met succes op zijn personages, die zich willen losrukken uit een keurslijf, maar daar zelden in slagen.

Behalve in het krampachtig najagen van erotische verzetjes manifesteert de emotionele verwarring van Zweigs personages zich ook in schuldgevoel, lafheid, afgunst, jaloezie, bezitsdrang en de vrees voor bestraffing door een bedrogen echtgenoot. Dat laatste leverde het schitterende verhaal ‘Angst’ op, dat over een gelukkig getrouwde vrouw gaat die uit verveling iets met een jonge pianoleraar begint. Haar genot raakt verstoord als ze gechanteerd wordt door de ‘vriendin’ van haar minnaar. De angst voor de onthulling van haar overspel en de manier waarop haar man daarmee omgaat, wordt op een bijna sadistische manier verbeeld.

Spionage

Zweig is duidelijk op zijn best als seks een ondergeschikte rol speelt. Behalve uit ‘Angst’ blijkt dat ook uit ‘De gouvernante’, waarin twee meisjes van twaalf en dertien op een dag merken dat hun lieve Juffie ongelukkig is. Een van hen heeft opgevangen dat ze aan hun studerende neef Otto, die bij hen inwoont, over ‘haar kind’ vertelt. Van wie en waar dat kind is, weten de meisjes niet. Maar als Otto onverwacht vertrekt en Juffie van hun ouders op haar donder krijgt en ontslagen wordt, kijkt de rampspoed om de hoek.

De verontwaardiging en het verdriet van de kinderen over die gebeurtenis belichamen het verlies van hun onschuld. En juist dan openbaart zich helaas Zweigs stilistische makke, wanneer hij over die meisjes schrijft: ‘Het kinderlijke geloof, die vrolijke, onbezorgde blindheid, is van hen afgevallen. En ook vermoeden ze dat er vanuit de zwoelheid der gebeurtenissen een nieuwe ontlading zal komen en ze zijn bang die te missen.’ Doe het toch niet zo, wil je Zweig op dat moment influisteren. Maar meteen daarop vergeef je hem dat pathetische geleuter, omdat hij die ontgoocheling zo indringend heeft neergezet.

Uit hun dramatische briefwisseling blijkt dat beide schrijvers op den duur niet meer zonder elkaar konden. Lees ook: De complexe ‘bromance’ tussen twee legendarische schrijvers

Verrassender en van seks ontdaan is ‘Boekenmendel’, een verhaal over een oude Joodse boekenkenner, die als een wandelende bibliotheekcatalogus jarenlang aan hetzelfde tafeltje in een koffiehuis adviezen geeft over bijzondere edities en drukken. Als in 1915, de Wereldoorlog is in volle gang, blijkt dat hij Russisch staatsburger is en met buitenlandse geleerden correspondeert, wordt hij wegens spionage in een concentratiekamp opgesloten. Twee jaar later komt hij vrij nadat de censuur heeft ontdekt dat hij brieven ontvangt van Oostenrijkse generaals. Als een gebroken mens holt Mendel daarna zijn einde tegemoet. Zweig is hier op zijn best, omdat hij zich inhoudt en zuinig met woorden is.

Mislukte flirt

De mannelijke personages in Zweigs verhalen zijn bijna zonder uitzondering egoïstische, verveelde wezens, die een vrouw vooral als lustobject zien en verder tot niets komen. In het titelverhaal ‘Fantastische nacht’ bevrijdt zo’n slapjanus zich echter uit de ketens van zijn doelloze bestaan. Aan de kant gezet door zijn geliefde, die na drie jaar voor een betere partij kiest, zoekt een verveelde baron bij de paardenrennen naar avontuur. Na een mislukte flirt met een mooie vrouw, stuit hij op een wedbriefje dat haar man in alle drukte heeft laten vallen. Uit ergernis over zijn nederlaag geeft hij het niet terug. Als het paard waarop de echtgenoot heeft gewed de race wint, int de baron een aanzienlijk bedrag. Hij beseft meteen dat hij daarmee een misdaad begaat. Ook kan hij het geld niet aan de rechthebbende teruggeven, want dat zal een schandaal veroorzaken. Om toch van het geld af te komen zet hij het in een volgende race op een paard dat als verliezer wordt beschouwd, maar dan toch wint. In een nieuwe poging zich te ontlasten van zijn schuld, beloont hij iedereen die hij op zijn nachtelijke zwerftocht door het Prater tegenkomt, tot aan een verlepte prostituee en haar pooiers aan toe. Als zij hem proberen te beroven, krijgen ze het geld tot hun verbazing in de schoot geworpen. Door zijn rijkdom te verdelen voelt de baron zich bevrijd uit zijn keurslijf. Ineens is hij een mens geworden, die ervan geniet om tegen anderen oprecht aardig te doen.

Joseph Roth

Aardig was Zweig bovenal. Dat blijkt uit zijn vriendschap met Joseph Roth (1894-1939), die net als hij een Joodse Oostenrijker was. Toen Hitler aan de macht kwam, werden hun boeken in Duitsland verboden. Roth verloor een groot deel van zijn inkomsten en leunde sterk op de gulle Zweig, die zijn vermogen in Engeland had geparkeerd. Uit hun vermakelijke briefwisseling, die vorig jaar in de Privé-domeinserie verscheen, kun je opmaken dat Roth zijn vriend een veel minder goede schrijver vindt dan hijzelf is. En Zweig geeft dat tussen de regels door gewoon toe.

Van geparfumeerde zinnen en sentimentele overdrijving wil Roth niet weten. Dat blijkt uit de onlangs verschenen nieuwe, verrassend frisse vertaling door Els Snick van Radetzkymars (1932), die door Jan Vanriet van fraaie tekeningen is voorzien. Roth, die met zijn sobere taal een voorloper was van de nieuwe zakelijkheid, zet zijn personages in al hun naakte kwetsbaarheid neer. Daardoor zijn ze zonder uitzondering sympathiek, hoe hufterig ze zich soms ook gedragen. Dat komt doordat ze allen, de fossiele Franz Joseph met zijn druppel aan zijn neus voorop, ten onder gaan aan hun nihilistische vertwijfeling over het leven en hun ontgoocheling over het door hun eigen passiviteit ineenstortende keizerrijk.

Maarten Doorman herleest Stefan Zweigs De wereld van gisteren. Lees ook: Europa is een broze beschaving

Zo iemand is ook Carl Joseph von Trotta, de jonge hoofdpersoon uit Radetzkymars. Als kleinzoon van een luitenant die in de Slag bij Solferino van 1859 de jonge Franz Joseph heeft gered, geniet hij als apathische militair bescherming van hogerhand. Zo overleeft hij de ene na de andere tegenslag. Maar juist daardoor hecht hij steeds minder aan het bestaan, wat zich manifesteert in zijn toenemende drankzucht en zijn naïeve bereidheid om voor de gokschulden van zijn kameraden op te draaien.

Verdorven mens

Iedereen om wie hij geeft komt om het leven, soms door zijn onbedoelde schuld, zoals de Joodse legerarts Max Demant, zijn enige vriend. Demants vrouw wordt er door een medeofficier van beschuldigd een verhouding met Carl Joseph te hebben, waarop de ongelukkige dokter die officier uitdaagt voor een duel. Dat duel, waarin beide deelnemers omkomen, is een van de mooiste scènes uit de wereldliteratuur.

En dan is er nog Carl Josephs vader, de zoon van de Held van Solferino. Als hoofd van het bestuur van een district in Moravië is hij in alles een kopie van Franz Joseph, wiens portret hem in ieder overheidsgebouw aanstaart. Het onvermogen van vader en zoon om hun gevoelens tegen elkaar uit te spreken draagt het hele verhaal. Een mooi voorbeeld daarvan is de scène waarin de oude baron de verlopen Carl Joseph in een afgelegen garnizoensplaats opzoekt. Dan lees je: ‘Deze jongeman hier was voor de oude baron Von Trotta bijna een onbekende. Waarom vond hij het zo pijnlijk om te kijken naar een vreemde, dronken luitenant van de jagers? Waarom vond hij dat zo pijnlijk?’

Zweig zou die vraag meteen beantwoorden met een lange sentimentele beschouwing. Roth laat het antwoord daarentegen uit de rest van het verhaal blijken.

Waar Stefan Zweig de schrijver is van de verdorven mens, is Joseph Roth de schrijver van diens zuivere tegenhanger die zich niet door zijn lusten laat leiden. Misschien komt daar wel zijn onmetelijke begrip voor ieders zwakte uit voort. Niet voor niets laat hij de stokoude keizer Franz Joseph, als hij veinst dat hij zijn zalvende adviseurs niet doorheeft, denken: ‘Hij had lang genoeg geleefd om te weten dat het dom is de waarheid te spreken.’ Zo zijn er meer heerlijke zinnen die van Radetzkymars een roman van blijvende betekenis maken. In dat opzicht legt Zweig het toch echt tegen hem af.