Hoe ouders hun kinderen voorbereiden op racisme

Opgroeien In aanloop naar Vaderdag: twee vaders vertellen hoe ze hun zwarte zoons proberen te beschermen tegen racisme.

Foto's Andreas Terlaak

Arnold Lubbers (38), vader van Afarens Lisander (3)
‘Wat gebeurt er wanneer hij niet meer schattig is?’

Arnold Lubbers (38) met zoon Afarens Lisander (3). Foto Andreas Terlaak

‘Papa, mama, kijk, die is bruin!” Als de driejarige Afarens Lisander Lubbers met zijn ouders in de straten van de Rotterdamse buurt Delfshaven fietst, herkent hij kinderen die op hem lijken: toevallig net zij die net als hij een zwarte en een witte ouder hebben. Een jaar geleden begon de jongen uit zichzelf verschillende huidskleuren te herkennen en aan te duiden: hijzelf is donkerder dan papa, lichter dan mama. „Zijn gemengde achtergrond zorgt ervoor dat hij de wereld meemaakt op een manier die voor ons allebei onbekend is”, vertelt vader Arnold Lubbers (38).

„Nu is hij nog klein en schattig. Hij maakt nog geen racisme mee. Nou ja, mensen in het ov raken soms zijn haar ongevraagd aan. Het lukt me niet altijd om hun hand tegen te houden.” Maar Afarens wordt ouder. „Wat gebeurt er wanneer de wereld hem niet meer schattig vindt? Als ze zijn opgewektheid bestempelen als ‘agressiviteit’ en ze hem ‘gevaarlijk’ beginnen te vinden, zoals zo vaak gebeurt met zwarte jongens? Of als hij straks naar de basisschool gaat, en ze vieren Sinterklaas, met Zwarte Piet? En als hij later een huis wil huren, maakt hij dan meer kans als ik meekom naar de bezichtiging?”

Aan de ontbijttafel kijkt Afarens naar een filmpje over monstertrucks op YouTube. Zijn vader serveert thee in koffiemokken waarop tekeningen van bekende zwarte mensen afgedrukt zijn: zangeres Lizzo, acteur Idris Elba, zangeres Solange. Afarens eet zijn boterhammen op en vraagt of hij op de schoot van zijn vader mag zitten. Hij vertelt opgewekt over de monstertrucks. Zijn vader wijst naar de witte mensen op het computerscherm en vraagt: „Afa, welke huidskleur hebben ze?” Hij vindt het belangrijk zijn zoon nu al de juiste politieke benamingen van huidskleuren mee te geven. „We leggen hem alles uit als het ter sprake komt, zoals toen hij zelf over huidskleuren of Zwarte Piet begon. We willen hem alle tools geven om zijn positie in de maatschappij te begrijpen.”

Die tools zijn letterlijk door hun huis heen verspreid. In iedere hoek van de woonkamer zijn er boeken, velen geschreven door zwarte mensen: Kindred van de Afro-Amerikaanse Octavia E. Butler, White Innocence: Paradoxes of Colonialism and Race van de Surinaams-Nederlandse Gloria Wekker. Boeken die nu door de ouders worden gelezen, maar klaarstaan voor hun kind. Op een laag tafeltje, waar de kleine Afa aan kan, liggen kinderboeken waar voornamelijk diertjes of zwarte kindjes zijn afgebeeld. Dick Bruna’s Het feestje van Nijntje tref je er in het Sranan Tongo, dat in Suriname gesproken wordt: a fesa fu miffy. Aan de muren hangen schilderijen van zwarte makers. Eén ervan, gemaakt door de Amsterdamse kunstenaar AiRich, beeldt een zwarte vrouw uit met een hoge staart uit gevlochten afrohaar.

„Afa, wie is dat?”

„Mama.”

„Waarom is dat mama?”

„Haar haar.”

Zijn papa glimlacht. „Dat de vrouw ook maar een klein beetje op zijn mama lijkt, is voor hem genoeg om herkenning te vinden.”

De schilderijen, de boeken, de poppen, de Black Panther-strips, de koffiemokken met bekende zwarte mensen: ze zijn allemaal mede bedoeld om Afa voor te bereiden op de toekomst.

We willen hem alle tools geven om zijn positie in de maatschappij te begrijpen

Arnold Lubbers

Arnold Lubbers heeft nooit te maken met racistische incidenten, maar zijn partner Loraine Maite (35) maakt die al heel haar leven mee. Soms geloven mensen niet dat ze de moeder van Afarens is. „Bent u de oppas?” Lubbers is afkomstig uit een dorp in Groningen en werd pas rond zijn zestiende bewust van racisme, door zijn liefde voor reggaemuziek. Reggae bracht hem elf jaar geleden ook samen met Maite. „Ik heb me veel ingelezen over racisme, ik ben er al lang bewust mee bezig. Ik was voorbereid op de, op zijn zachtst uitgedrukt, struikelblokken die ons te wachten stonden bij het opvoeden van een zwart kind. Maar als witte man is het anders om plots iedere dag alert te moeten zijn, voor het geval dat je kind racistisch wordt bejegend. Ik kan hem niet tegen alles beschermen, maar ik kan hem zo goed mogelijk bewapenen.”

Zo weet Afarens nu al dat hij voorzichtig moet zijn met de politie. „Ze zijn niet aardig tegen iedereen”, verklaart hij terwijl hij buiten speelt met zijn mini-monstertrucks. Voor Afarens is het leven nu nog simpel, gevuld met zonnige pleintjes, leuke vriendjes, versleten monstertrucks, zorgzame ouders. Maar als papa vraagt: „Afa, en wat zeg je als je de politie ziet?”, antwoordt het jongetje: „Black Lives Matter!”

Orfeo Sprang (41), vader van Cyrano (11) en Déshano (9)
‘Ik wil dat ze beter voorbereid zijn’

Orfeo Sprang (41) met Cyrano (11, links) en Déshano (9). Foto Andreas Terlaak

‘Ik heb altijd al geweten dat ik ooit met mijn jongens over racisme zou moeten praten, maar ik probeerde dat gesprek zo lang mogelijk uit te stellen. Ik wilde dat ze nog kind zouden blijven”, zegt Orfeo Sprang (41). Het uitstellen lukte tot de dag dat zijn zoons Déshano Sprang, toen zes, en Cyrano Sprang, toen acht, al spelend de roltrap van een winkelcentrum op gingen. De jongens waren al boven, terwijl Sprang en zijn vrouw, Yesenia Sprang-Dalnoot (36), nog beneden stonden.

„Opeens kwam een rare man”, vertelt Déshano, inmiddels negen. „Hij schold ons uit, uit het niets. Dat klopte gewoon niet.”

„Hij maakte hen uit voor ‘nikkers’”, vult zijn vader aan. „Twee kinderen op een roltrap!”

„Toen wist ik nog niet zo goed wat dat betekende”, zegt Cyrano.

„Maar aan hun houding zag je dat ze aanvoelden dat het verkeerd was”, vertelt Orfeo Sprang. „Ze kwamen het ons vertellen, en toen moesten we het dus uitleggen.”

Zulke gesprekken hebben de ouders intussen vaker gehad: toen Cyrano in groep drie door een medeleerling werd uitgemaakt voor Zwarte Piet. „De directeur luisterde naar onze melding, maar op zijn Facebookpagina had hij pro-Piet-posts staan.” Of toen Déshano door zijn klasgenoten werd uitgescholden vanwege zijn huidskleur. Of toen een begeleider op school tegen een negenjarige Cyrano zei dat hij de universiteit nooit zou halen. Vader Orfeo vertelt dat zijn kinderen naar een andere school werden gebracht vanwege de reeks incidenten. Cyrano begint te huilen. „Ik moest mijn vrienden achterlaten.” Het zijn altijd lastige gesprekken, vertelt zijn vader. „Het blijft ook niet bij één, ik probeer ze voor te bereiden op de wereld door continu gesprekken te hebben.”

Déshano weet het allereerste gesprek nog. De mondigste van de twee zoons draagt een zwart T-shirt met een opdruk van het Afrikaanse continent. „Ik was zes. Mijn moeder en vader legden toen uit dat we in het leven niet alles krijgen wat andere mensen krijgen.” Kansen, dat is wat Déshano bedoelt.

Inmiddels is de kinderen nog meer geleerd.

„Als jullie naar de winkel gaan, handen…”, zegt vader Orfeo.

„Uit je zakken. Anders denken mensen dat we stelen”, zegt Deshano. „Maar als witte mensen hun handen in hun zakken hebben, maakt dat niets uit.”

„En als je wordt aangehouden door de politie?”

Déshano somt op wat hij van zijn vader en moeder heeft geleerd. „Dan is het eerste wat je doet, vragen: mag ik mijn moeder bellen? Of mijn vader? Of mijn advocaat?

„En wat zeg je voor de rest?”

„Niets”, antwoorden beide jongens. „Ook al slaan ze me: ik doe niets, ik houd mijn mond”, zegt Déshano.

Vader zucht. „Het is toch erg dat ze dit tegen die leeftijd moeten weten?” Toch vindt hij het belangrijk het over racisme te hebben: niet alleen direct in gesprek met zijn zoons, maar ook met anderen, als zij erbij zijn. „Ik wil dat ze beter voorbereid zijn dan ik was.”

Alles wat mijn zoons meemaken, heb ik ook meegemaakt

Orfeo Sprang

Orfeo Sprang groeide op in Amsterdam-Zuidoost. Zijn vader vertelde niet graag over zijn ervaringen met racisme. Maar toen hij negen was, bereidde zijn vader hem wel voor: ooit zou hij aangehouden worden door de politie. De jonge Orfeo wuifde het weg: „Ik was in Nederland geboren, ik dacht: ach, je overdrijft!” Zes uur na het kopen van zijn eerste auto, werd hij aangehouden.

„Racisme is nu nog steeds even erg als toen. Alles wat mijn zoons meemaken, heb ik ook meegemaakt. Mijn leerkracht vertelde me ook dat ik nergens zou komen in het leven. Mijn collega’s vergeleken me ook met Zwarte Piet. Ik zou ze tekortdoen als ik ze die bagage niet mee zou geven. Ik wil dat ze dingen kunnen plaatsen als ze racistisch worden bejegend, dat ze weten hoe ze ermee om moeten gaan.”

De jongens krijgen thuis geschiedenislessen, black history, die niet of onvolledig op school worden gegeven. „En niet altijd juist is”, aldus de vader. „Ik vind de lessen geschiedenis op school lastig”, vertelt Déshano. „Omdat ik niet weet wat waar is.”

Maar Orfeo en Yesenia willen hun jongens ook onderwijzen over racisme door een goed voorbeeld te zijn. „We tonen hen een beeld dat ze nooit in de mainstream media zien: een hecht zwart gezin, met getrouwde ouders, gelukkige kinderen, een huis.”

„En we vertellen de jongens constant hoe mooi ze zijn. Mijn vader vertelde me ook altijd hoe mooi ik was.”