Opinie

Hoe je pensioenfonds HEMA’s om zeep helpt

Maarten Schinkel

Hoe krijg je 230 miljard dollar terwijl je daar eigenlijk niets voor terug doet? Een studie van de universiteit van Oxford, afgelopen weekeinde aangehaald door de Financial Times, legt het uit. Het gaat hier over zogenoemde private-equityfondsen. Dat zijn pools van particuliere beleggers die ‘waarde creëren’ door het overnemen en vaak snel weer doorverkopen van bedrijven.

Dergelijke fondsen zijn in opkomst. Nu er met rente steeds minder te halen valt en niet al het geld in de aandelenbeurzen kan worden gestoken, is er een flinke markt ontstaan voor wat ‘alternatieve beleggingsstrategieën’ worden genoemd. De branche bloeit: inmiddels is het aantal private-equitybazen met een persoonlijk vermogen van meer dan 2 miljard dollar gegroeid van vijf naar 22. De fondsen inden in de afgelopen 10 jaar performance fees van in totaal 230 miljard. Maar wat deden ze ervoor terug? Eigenlijk niets, zegt de studie. Je had je geld evengoed in een indexfonds kunnen steken.

De Amerikaanse investeringsgroep Blackstone stelt in de FT dat de studie vooringenomen is, en naar een negatieve conclusie toewerkt. Dat is te makkelijk. In 2016 publiceerde accountants- en advieskantoor KPMG een zeer lezenswaardige studie naar het verdienmodel van private equity. De conclusie: als je juist rekent, levert de strategie een beleggingsresultaat op van een procentpunt of drie méér dan de aandelenindex. Maar deze outperfomance is geheel te verklaren uit het nemen van meer risico. Dat wil zeggen: meer gebruik maken van geleend geld om zo de hefboom op het geïnvesteerde vermogen te vergroten. Met andere woorden: als je voor een klein deel met geleend geld op de beurs had belegd, dan was je er ook.

Sterker nog: KPMG toont dat de bemoeienis met de bedrijfsvoering van de overgenomen onderneming – met als doel het beter maken van het bedrijf – een licht negatieve invloed had. Het lijkt er in deze studie op, dat het al heel wat is als de zelfbenoemde bedrijvendokters geen schade aanrichten.

En dat brengt ons, als vanzelf, op HEMA.

Begin deze week mislukte een poging van investeerder Marcel Boekhoorn de winkelketen te redden. Een groep van crediteuren, samen goed voor 600 miljoen schuld (van de in totaal 750 miljoen) nam genoegen met een schuldafboeking tot 300 miljoen, in ruil voor alle aandelen.

Een interessante geschiedenis. Maar hoe kwam HEMA aan zo’n formidabele schuld? Nu had het twee ontmoetingen met private equity. Eerst KKR, een van de vier grootste fondsen ter wereld. En daarna Lion Capital.

Bedrijven betalen vaak hun eigen overnamesom door extra leningen aan te gaan, waaronder in de regel dure leningen van de nieuwe aandeelhouder zelf. Superdividenden vinden plaats. Het management werkt mee, met bonussen in zicht.

HEMA was door alle schulden al zo kwetsbaar dat de coronacrisis er hard inhakte. Het schijnt te mogen allemaal. En er zijn ook goede voorbeelden van private-equity-ingrepen. Maar willen we het ook? Pensioenfondsen en andere institutionele beleggers steken steeds meer geld in private equity, op zoek naar extra rendement – waarvan het dus niet zeker is of het er wel is. Pensioenfonds Zorg & Welzijn heeft er bijvoorbeeld 6 procent van zijn vermogen in belegd. De mogelijke prijs is uiteindelijk een bedrijfsleven dat volgehangen is met schulden en kwetsbaar bij de eerste tegenwind. Dat is vreemd: pensioenfondsen helpen mee aan het verzwakken van bedrijven waar hun eigen deelnemers werken.

Er is de laatste jaren een trend om pensioenfondsen en andere grote beleggers te verhinderen te beleggen in wapens, fossiele energie of uitbuiting. Een discussie over private equity zou in dit licht niet misstaan. Denk daar eens aan als je een HEMA instapt. Nu dat nog kan.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.