Recensie

Recensie

De nieuwe Land Rover Defender is Bauhaus met een tikje Britse charme

Geen auto speelt het vrije leven zo mooi na als een Defender, vindt .
Foto Merlijn Doomernik

Het is 1945. Het Verenigd Koninkrijk is failliet, maar voor de import van goederen en levensmiddelen zijn dringend dollars nodig. Wat te doen? Brits blik in de VS verkopen! Het Labour-kabinet zet autofabrikanten onder druk. Alleen als ze voldoende exporteren, krijgen ze staal voor hun productie. Probleem: daarvoor zijn moderne, concurrerende auto’s nodig. Zijn er niet, nog niet.

Twee jaar later gaat Sir Stafford Cripps, voorzitter van de Britse Board of Trade, op werkbezoek bij Rover. Dat staat met lege handen. Rovers nieuwe middenklassemodel is niet productierijp en een geplande mini-Rover is geen optie voor Amerika, waar ze uitsluitend dikke bakken lusten.

Intussen heeft Rover-ingenieur Maurice Wilks een terreinwagentje in elkaar geknutseld, bedoeld als hypothetische vervanger voor een afgeragd privé-Jeepje dat zijn boot trekt en doodgevroren bomen van zijn landgoed afvoert. Het wordt een primitief landbouwvoertuigje met vierwielaandrijving, canvas dak en aluminium plaatwerk. Het moet een ploeg kunnen trekken, dat is het idee. Die doelmatigheid raakt een snaar bij de ascetische Cripps, de door Churchill verafschuwde ex-ambassadeur te Moskou („Hij heeft alle deugden die ik haat, en geen van de zonden die ik liefheb”). Cripps geeft groen licht en regelt zelfs een belastingvrijstelling voor de Land Rover, die in 1948 wordt onthuld en tegen alle verwachtingen in wereldwijd aanslaat. Zijn publiek evolueert van boeren en hulpverleners naar stadse reclamejongens, die zijn antieke waardigheid het eeuwige leven schenken. Zo blaast dat beroerd rijdende maar onvervaarde jungleding pas in 2016 als snobmagneet de laatste adem uit – met een onmogelijke opdracht voor zijn opvolger.

Suv in retrostijl

Een nieuwe Defender, zoals de auto sinds 1990 wordt genoemd, schept een duivels dilemma. Óf hij wordt weer een werktuig, dus ongeschikt als dagelijks vervoer, en dat slikt niemand meer. Óf hij reïncarneert als suv in retrostijl, wat verraad aan het idee zou zijn. De fans blijven de oude trouw en moderne, voor geen woestijnklus terugdeinzende suv’s heeft Land Rover genoeg. Dus waarom zou je?

Hij kwam toch. Wederom hoog en vierkant, Bauhaus met een tikje Britse charme. De koplampen staan trouwhartig rond in hun vierkante kassen. Ter nagedachtenis van het origineel worden de achterlichten geflankeerd door identieke lichtpitjes in miniatuurformaat. Dat raffinement neemt zijn authenticiteitsprobleem niet weg. Wat aan de voorganger aandoenlijk was, werd urbane gewichtigheid, wat uit spaarzaamheid ontstond geënsceneerd primitivisme. Mooi primitivisme, dat vernuftig het precaire evenwicht bereikt tussen spartaans-retrospectief en postmoderne eenvoud. Maar wat ruig en oer had willen zijn, blijft wringen met de rauwe tongval van de eerste serie. De traanplaat-delen op de motorkap zijn decoratie, de blootliggende schroeven in de deurpanelen gekunsteld tegengas voor de verplichte leer- en infotainmentluxe die, omdat hij groot en sterk en in de wildernis onoverwinnelijk moest zijn maar tevens compatibel met de Zuidasmens, bijna een ton mocht kosten. En dan moet het aanvinken van de optielijst nog beginnen.

Het is 2020. Geen Amsterdammer hoeft een ploeg te trekken. Er ligt geen doorwaadbare rivier tussen A10 en Zuidas. En wie dit koopt, wil slechts voor zaken met de poten in de modder. Later dit jaar volgen Commercial-uitvoeringen op grijs kenteken voor de helft van het geld, zij het exclusief bpm en btw. Die zullen, met stalen wielen en gespoten in de kleuren van de oertijd, misschien de hardgekookte desperado’s voor zich terugwinnen. En rijden evengoed linea recta naar het WTC. Met een hippe aannemer aan het stuur en een betonmolen aan de haak, voor een verbouwinkje. De rest ruilt er een Range Rover op in en stapt, ahum, in een soort Range Rover.

Hij rijdt net zo, vorstelijk en solide, voor het eerst als een auto. De drieliter zescilinder klinkt als een klok en trekt als een lier. Die er niet op zit. Vast bestelbaar, net als een daktent of transportkoffers aan weerszijden. Zodat de aan zijn zweetkamer ontsnapte advocaat er op het Bloemendaalse strand zijn eerste echte offroad-avontuur mee kan beleven. Want geen auto speelt het vrije leven zo mooi na als een Defender. Hij laat je met je dubbele gevoelens worstelen en wint natuurlijk toch. De hobbyterreinrijder is voor een derde van de prijs beter af met een Suzuki Jimny, in zijn niet-gespeelde nuchterheid ook minder schuldbeladen dan dit offensieve mannending. Maar wat een monument. Met alle foute deugden die ik liefheb, en geen van de zonden die ik haat. Defender-liefde was en blijft een zwakte.