Negen jaar na de kernramp: alleen nog sporen van mensen

Foto Een fotograaf en een schrijfster reisden naar Fukushima, negen jaar na de kernramp. „We voelden ons archeologen van de toekomst.”

Winterlandschap in Warabidaira, februari 2015. Links: De afbeelding van een kraanvogel, gemaakt door de Japanse schilder Kawahara Keiga.
Winterlandschap in Warabidaira, februari 2015. Links: De afbeelding van een kraanvogel, gemaakt door de Japanse schilder Kawahara Keiga. Foto Robert Knoth

Een zeebeving die een tsunami veroorzaakt die een kernramp veroorzaakt – de grootste sinds Tsjernobyl (1986). Op 11 maart 2011 werd het Japanse Fukushima getroffen door een driedubbele ramp, die maandenlang het nieuws domineerde.

De Nederlandse fotograaf Robert Knoth was op dat moment toevallig voor Greenpeace aan het werk in Tsjernobyl. Een half jaar later reisden hij en zijn partner, schrijfster en journaliste Antoinette de Jong, naar Japan af. Ze wilden met eigen ogen zien wat die gebeurtenissen met Fukushima hadden gedaan. En mensen spreken die er hadden gewoond.

Het zou de eerste van zes reizen worden, gemaakt in een periode van vijf jaar en steeds in een ander seizoen. Die reizen zijn uitgemond in het intrigerende, tweedelige project Tree and Soil. Deze maand verschijnt het gelijknamige boek. Komend voorjaar, want vertraagd door corona, zal de bijbehorende audiovisuele installatie te zien zijn in Wenen, het Duitse Würzburg en het Fotomuseum in Den Haag.

Knoth en De Jong hebben veel journalistiek werk gedaan, waaronder hun epos Poppy: Trails of Afghan Heroin (2012) waarmee ze brede internationale erkenning kregen. Vanaf begin jaren negentig volgden ze het spoor van heroïne vanuit Afghanistan over de hele wereld, via onder andere Albanië, Somalië, Tadzjikistan, Oekraïne en Dubai, tot in Nederland.

Sindsdien heeft hun werk zich steeds verder losgemaakt van de actualiteit. De verbeelding is voor hen nu belangrijker dan een feitelijke weergave: Tree and Soil is een poëtische, associatieve verzameling beelden met een paar korte teksten. De lezer – beter gezegd, de kijker – krijgt niets uitgelegd, geen onderschriften, geen paginanummers. Je wordt uitgedaagd om je eigen zintuigen en observatievermogen in te zetten om zelf het verhaal eruit te destilleren.

Antoinette de Jong: „De aanleiding om in de gesloten gebieden rond de kerncentrales in Fukushima te gaan werken lag weliswaar in de actualiteit, maar ons boek is geen documentaire verkenning. Het is een artistieke productie.”

Nog steeds zijn grote delen van het gebied dusdanig met radioactiviteit besmet dat niemand er kan wonen. Hooguit mogen mensen een dagje naar ‘huis’. In het landschap is nu de mens „de aanwezige afwezige”, zoals De Jong dat zegt. Tussen de bomen in de donkere sprookjesbossen hangen hun herinneringen, dromen en verwachtingen. Maar nu trekken de zwarte beren, wilde zwijnen en troepen makaken vrij rond over de verlaten akkers en door de bossen.

Onkruid door het asfalt

De bewoners van de getroffen gebieden vertelden hoe belangrijk hun omgeving was voor hun families, die er vaak al generaties woonden. Vier van hen worden kort geciteerd in het boek, waarbij het verdriet hooguit indirect wordt geadresseerd.

Het echtpaar Sadami en Hanayodes Kobayashi bijvoorbeeld vertelt over het huis dat ze hier 25 jaar geleden hebben gebouwd, en over de kersenboom die ze er hebben geplant ter ere van hun kleinzoon, die op 11 maart werd geboren: „We waren er erg enthousiast over en keken ernaar uit om een boom samen met onze kleinzoon te zien groeien.”

Op de foto’s is geen mens te zien, wel de sporen ervan. Een weg waar het onkruid door het asfalt heen groeit. Een verwaarloosde tuin met bomen waar het klimop aan alle kanten uitsteekt. Een uitgestorven straat, een weggetje waar de auto’s nog staan, een afdak dat ooit van een benzinestation was en waar nu een rij van die typisch Japanse automaten staan, een paar ervan zelfs nog verlicht.

Acer pictum – geelgeverfde esdoorn – bij Tsushima in het district Namie. Foto Robert Knoth

Daaromheen hebben ze beelden vervlochten uit de collectie van Japanmueum SieboldHuis in Leiden. Ook gebruiken ze zilver-zwarte scans die ze hebben gemaakt van planten die eeuwen geleden uit Japan naar de Hortus van Leiden zijn gebracht – en daar nog steeds floreren.

Siebold, voluit Philipp Franz Balthasar von Siebold (1796-1866) uit het Beierse Würzburg, trok als arts naar Indië en daarna naar Japan, waar hij aan de Nederlandse handelsdelegatie was verbonden. Daar wist hij tussen 1823 en 1829 een reusachtige verzameling naturalia bij elkaar te brengen – planten, dieren, zaden, stenen – maar ook duizenden schilderijen, tekeningen en houtsnedes. Die liet hij verschepen naar Leiden, waar hij de helft van het jaar woonde. Zijn verzameling vormde daar de basis van Naturalis, Museum Volkenkunde en SieboldHuis.

Age of Exploration

„De Siebold/collectie is representatief voor de mindset die opkwam in de Age of Exploration”, zegt De Jong. Vooral tussen de vijftiende en eind zeventiende eeuw trokken ontdekkingsreizigers over de wereld om de witte plekken op de kaart in te vullen en de geheimen van de natuurlijke wereld te ontsluiten en te exploiteren. „Ook in de eeuwen daarna ging dit volop door. Wij zien die tijd als voorloper van het Antropoceen waarin de aarde inmiddels diepgaand is veranderd door menselijke activiteit.”

Gescande zaaddozen van de paulownia tomentosa, ook wel bekend als de keizersboom. Foto Robert Knoth

Werken uit de Siebold-collectie hebben ze puur intuïtief geplaatst naast hun eigen foto’s van landschappen waaruit de mens – door eigen toedoen – weggerukt is. Een mooi goudkleurig opgezet vogeltje met een label aan zijn pootje kun je zien als een symbool voor de menselijke drang de natuur te onderzoeken, te labelen en te bedwingen. De vogel is gedood, gecategoriseerd en in een laatje verdwenen.

Lees ook: Fukushima wordt schoner, maar de reputatie blijft besmet

Knoth: „Met het ongeluk in Fukushima is de cirkel rond. In onze pogingen los te komen van de bedreigende natuur heeft de mens oncontroleerbare krachten gecreëerd, die even verwoestend kunnen zijn als de natuur zelf. De technologie komt als een boemerang bij de mens terug.”

Rondspeurend in dat afgesloten landschap voelden Knoth en De Jong zich soms „archeologen van de toekomst”, zeggen ze, die proberen uit te vinden wat er in een ver verleden gebeurd is. Het verhaal is al zo oud als de wereld: de mens die door eigen toedoen uit het paradijs is verdreven. De actualiteit van de driedubbele ramp hebben ze getransformeerd in een algemener en universeler verhaal over ergens thuis zijn, over verbondenheid aan een plek en een landschap.

Tree and Soil door Robert Knoth en Antoinette de Jong, uitg. Hartmann Books, 45 euro. Oplage 925 exemplaren waarvan 400 worden verkocht.