Opinie

Verscheurd Amerika

Frits Abrahams

Oude, vergeten boekjes kunnen diepe waarheden bevatten. Dezer dagen bladerde ik door The Great Divide, een pocket uit 1988 van de Amerikaanse radiojournalist Studs Terkel, die bijna honderd landgenoten had geïnterviewd over hun samenleving.

Ik stuitte op het verhaal van T. Kerrigan Black, toen een 32-jarige muzikant uit Berkeley, Californië. Hij was de zoon van Timuel Black, een zwarte activist. Samen met zijn vader had hij op 28 augustus 1963 nog de protestmars naar Washington meegemaakt, toen Martin Luther King zijn I Have a Dream-rede hield. Bijna 25 jaar later moet hij constateren dat er voor zwart Amerika weinig veranderd is, ook in het zogenaamd progressieve Berkeley.

„Ik denk dat Ronald Reagan de toon heeft gezet in de jaren tachtig”, zegt hij tegen Terkel, „hij is vermoedelijk de meest racistische president die we sinds Woodrow Wilson hebben gehad. Toch is hij typerend voor deze tijd. Je zult nooit een racistisch woord van hem horen. Maar de daden die hij door de vingers ziet – wat er gebeurt op het ministerie van Justitie – doen denken aan wat er eerder deze eeuw gebeurde.”

Dan weidt hij uit over het alledaagse racisme om hem heen, de losse opmerkingen en grappen die zwarte mensen moeten aanhoren. Het gesprek gaat bijvoorbeeld over de agressiviteit in basketbal en een witte vriend zegt opeens: „O, je bedoelt spearchucker basketbal.” Spearchucker betekent letterlijk speergooier, een aanduiding voor barbarij; het niet helemaal toereikende Nederlandse equivalent zou ‘zwartjoekel’ kunnen zijn.

Op een universiteit in Andover, Massachusetts, kijkt een witte student naar Blacks klimschoenen en zegt: „O, je hebt je nigger-kickers aan.” Na een optreden als zanger-pianist in Death Valley, Californië, komt hij in een wit gezelschap terecht, een man vraagt hem mee op een skitocht. De man kijkt de tafel langs en grapt: „Het is een manier om van de niggers af te komen: in de sneeuw.” Enkele mensen reageren verontwaardigd, de man doet het af als een grapje.

De grote meerderheid van de zwarte Amerikanen, constateert Black anno 1988, is niet beter af dan twintig jaar daarvoor – eerder slechter. De grapjes die hij citeerde, deden me sterk denken aan de beledigingen waarover zwarte mensen uit Nederland zaterdag in NRC vertelden: „Als ze zien dat ik het niet leuk vind, zeggen ze dat het een grapje was.”

Je kunt op grond van zo’n verschijnsel concluderen dat vormen van alledaags racisme van Amerika naar Nederland zijn overgewaaid, maar dat betekent nog niet dat beide landen op het gebied van racisme en discriminatie vergelijkbaar zijn. Amerika is verscheurd, Nederland verdeeld.

Hoe verscheurd Amerika is, vertelt ex-satiricus Jon Stewart in The New York Times. Hij wil de politie niet overal de schuld van geven. „De politie is een weerspiegeling van de samenleving. Het is geen organisatie van schurkachtige aliens die zijn neergedaald om de zwarte gemeenschap te kwellen. Zij handhaaft de segregatie. De segregatie is wettelijk voorbij, maar nooit opgehouden. De politie is in zekere zin grenspolitie, zij controleert de grens tussen de twee Amerika’s.” En aan de pijn van een van die twee wordt niets gedaan, aldus Stewart.

„Twee Nederlanden!” Dat hoor ik Arjen Lubach, Stewarts opvolger in Nederland, nog niet zeggen.