Opinie

Veel

Ellen Deckwitz

Soms ben je zo gewend geraakt aan iets dat, wanneer het verdwijnt, het je aanvankelijk niet eens opvalt, net zoals dat je met een afgehakt lichaamsdeel nog steeds kan voelen. De afgelopen lockdown heeft mijn zus steen en been geklaagd over haar buren: een Portugees expatstel dat NRC niet leest en het thuiszitten probeerde te verlichten door middel van harde muziek en iets dat klonk als luidruchtig bokspringen. Dat is voor een misofoon persoon als mijn zus al vervelend, maar om het nog erger te maken hadden de buren naast het draaien van deathmetal ook nog eens de gewoonte om in hun achtertuin de ene na de andere sigaar op te steken waardoor mijn zus (iemand met de longcapaciteit van een mijnwerker) niet meer buiten kon zitten. Ze op hun zintuigterrorisme aanspreken hielp niets en toen de wijkagent na diverse smeekbedes van mijn zus kwam om te bemiddelen, konden ze opeens geen Engels meer.

„Je bent zo machteloos wanneer het op je buurt aankomt”, jammerde mijn zus , „zo afhankelijk van de inborst van je medemens”, gevolgd door een tirade die ik niet meekreeg omdat ik alweer met mezelf bezig was. Pas gistermiddag besefte ik dat ze al tijden niet meer had gezeurd over de Portugezen waardoor ik me begon af te vragen of het wel goed ging met haar/hen en zo stond ik binnen vijf minuten lichtelijk verontrust op haar stoep.

„Hé”, zei ze enthousiast toen ze opendeed, „wat leuk! Alles goed?”

„Niet echt”, zei ik, „ik maak me een beetje zorgen om je, je klaagt de laatste tijd zo weinig.”

‘Ik ben gewoon blij met die versoepeling, het is zo heerlijk dat we niet meer gebonden zijn aan ons huis.” „Ach zo”, zei ik argwanend, „dus je bent constant op stap?”

„Ben je gek”, lachte ze, „ik ben op de boodschappen na in geen weken de deur uitgeweest!”

„Waarom ben je dan zo blij met de versoepeling?”

„Ik ben nergens heen geweest”, juichte ze, „maar de buren wel! Elke dag gaan ze uit eten, ze komen pas laat terug. Eindelijk kan ik weer gewoon op de bank zitten. Kon ik natuurlijk die hele lockdown al, maar nu kan ik er weer van genieten!”

Ze keek zo verzaligd dat ik er verder niet op in durfde te gaan. Alles is veel voor wie niet veel verwacht en getuige de voldane uitdrukking op mijn zus’ gezicht was ze de koning te rijk. Eenmaal thuis moest ik denken aan Rilke, die in een gedicht de witte lelie prijst omdat ze tjokvol „opwindende afwezigheden” zit. Zo zat mijn zus nu ook op de bank, dacht ik tevreden, stuiterend door absentie, stralend van leegte.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.