Opinie

Overal Linda’s

Marcel van Roosmalen

Nooit eerder zat ik zo boven op het nieuws als met corona. Ik bofte maar met een moeder in het verzorgingstehuis, een dorp dat al jaren in lockdown zit, een kind op de basisschool, eentje op de kinderopvang en mijn afhankelijkheid van het openbaar vervoer. Zo kon ik de vijand al vroeg in de bek kijken: het echte probleem is niet het virus, maar zijn de regels en vooral degenen die zijn aangewezen om ze te handhaven.

Gisteren beet de actualiteit me weer eens in mijn bil.

Ik had het bericht dat de Nederlandse Vereniging voor Infectieziektebestrijding en de AJN Jeugdartsen samen vonden dat het onwenselijk was om kinderen met een snottebel, een loopneus of een kuchje weg te sturen bij de kinderopvang nog niet eens helemaal gelezen of daar belde Linda al. Linda is de hoogste leidster van het kinderdagverblijf, er was snot geconstateerd. Of ik mijn dochter binnen een uur wilde komen halen?

Ik trof de leidsters bij de schommel, ze zagen geloof ik al wel aan mijn hoofd hoe ik over de situatie dacht. De eerste stak meteen haar handen in de lucht, ze leefde enorm mee.

„Ik snap het, ik snap het”, zei ze.

Linda wees meteen naar het RIVM, waar ze heel duidelijk waren over snot. Ze hadden snot geconstateerd en daarbovenop had Leah ook nog met haar snot gesmeerd.

Ondertussen rende mijn dochter van de ene naar de andere kant van het schoolplein, met dat specifieke loopje van haar, half mens half kangoeroe.

Toen ik mijn kind oppakte, zag ik geen snot, maar dat maakte niet meer uit: als er eenmaal snot was geconstateerd, kon je dat niet meer door de vingers zien. Voor de vorm schetste ik de rest van mijn werkdag, die ik gedwongen moest doorbrengen met een gezonde driejarige, maar dat maakte nul indruk.

„Snot is snot”, zei Linda.

Als Leah 24 uur snotvrij was, mocht ik haar weer brengen, laten testen kon ook.

Dat laatste probeerde ik: de huisarts was op vakantie, de GGD in Wormer doet geen testen, de GGD in Zaandam heeft een wachtlijst en bij de GGD in Amsterdam vroegen ze hoelang mijn kind al koorts heeft.

„Nul dagen”, antwoordde ik, „ze heeft geen koorts.”

Case closed.

Daarna nam ik mijn dochter mee naar een uitgeverij waar ze boeken uit een boekenkast trok. Op de terugreis in de trein trok ze mijn papieren mondkap stuk.

Meteen die paniek.

Nu geen aandacht trekken, dacht ik – niet met snot gaan smeren – want de Linda’s zijn overal.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.