Medicijn van antistoffen uit bloed Amsterdamse coronapatiënten

Covid-19 Met monoklonale antistoffen kan het virus heel direct bestreden worden. Ook kunnen ze beschermen tegen infectie.

Covid-19-patiënten op de intensive care van het Van Weel-Bethesda Ziekenhuis in Dirksland op Goeree-Overflakkee.
Covid-19-patiënten op de intensive care van het Van Weel-Bethesda Ziekenhuis in Dirksland op Goeree-Overflakkee. Foto Ilvy Njiokiktjien

Nederlandse onderzoekers hebben uit het bloed van drie Amsterdamse Covid-19-patiënten sterke antistoffen geïsoleerd die mogelijk kunnen worden ingezet als medicijn tegen corona. Deze zogeheten monoklonale antistoffen binden heel sterk aan het spike-eiwit dat het coronavirus nodig heeft om menselijke cellen te infecteren. De onderzoekers presenteren hun resultaten deze week in een artikel in het wetenschappelijke blad Science.

De geïdentificeerde antilichamen worden ‘monoklonaal’ genoemd omdat het geïsoleerde afweermoleculen zijn uit een hele zwerm van verschillende antistoffen die het lichaam aanmaakt om een infectie te bestrijden. De sterkst werkende antistoffen kunnen eruit gepikt worden, zodat die met moleculair-biologische technieken in grote hoeveelheden nagemaakt kunnen worden. Daarmee kan dan vervolgens heel gericht het virus worden bestreden.

Begin mei beschreven onderzoekers in Utrecht en Rotterdam al een monoklonaal antilichaam tegen corona, dat zij per toeval nog bewaard bleken te hebben in de vriezer. Dat was destijds gemaakt in het onderzoek naar SARS, maar bleek ook het virus SARS-CoV-2 te neutraliseren. De Utrechters en Rotterdammers werken samen met het farmaceutische bedrijf Abbvie om het antilichaam verder te ontwikkelen tot medicijn.

Tijdelijke bescherming

Monoklonale antilichamen kunnen helpen het virus te bestrijden bij mensen die al besmet zijn met het virus, de eigen afweer van de patiënten krijgt dan met deze antistoffen een duwtje in de rug. De monoklonale antilichamen kunnen ook ingezet worden als tijdelijke bescherming tegen infectie; zo lang ze in het bloed circuleren van iemand die ermee is behandeld krijgt het coronavirus geen kans.

Viroloog Bart Haagmans van het Erasmus MC in Rotterdam was betrokken bij beide Nederlandse publicaties over monoklonale antilichamen. De nieuwe Amsterdamse monoklonale antilichamen neutraliseren het coronavirus sterker dan het Utrechtse. Dat betekent dat ze in potentie in lagere concentratie nog steeds werkzaam zijn tegen het virus. „Maar uiteindelijk zal moeten blijken of dat in het lichaam van mensen die het krijgen toegediend ook zo is”, zegt Haagmans, „Want het gaat er ook om welke dynamiek de verschillende antilichamen in het lichaam hebben en in hoeverre ze de afweercellen kunnen activeren om de door het virus geïnfecteerde cellen in het lichaam op te ruimen.”

Omdat niet te voorspellen is wat in de praktijk zal werken, is het goed dat er alternatieven zijn, zegt Haagmans. „Wereldwijd zijn er al heel wat onderzoeksgroepen die monoklonale antilichamen tegen SARS-CoV-2 geïdentificeerd hebben. Het gaat dezelfde kant op als met vaccins tegen Covid-19; we hebben inmiddels al een hele reeks van kandidaten.”

Ieder antilichaam heeft zijn eigen werkingsspectrum. De Amsterdamse antilichamen zijn gericht op het specifieke stukje van het spike-eiwit dat aan de ACE2-receptor op menselijke cellen bindt, maar het Utrechtse antilichaam neutraliseert zeker twee gevaarlijke coronavirussen (SARS en SARS-CoV-2), en die bredere werking maakt het misschien ook geschikt om in te zetten bij toekomstige uitbraken met weer een nieuw coronavirus. De monoklonale antilichamen zouden eventueel ook in een cocktail kunnen worden samengevoegd, voor een optimale werking.

Uit de ervaringen blijkt dat je er vroeg bij moet zijn

Bart Haagmans viroloog

De volgende stap is om aan te tonen dat deze antilichamen ook veilig en effectief zijn als medicijn bij coronapatiënten. En dat wordt een lastige stap, voorspelt Haagmans. Eerder zijn bijvoorbeeld tegen ebola al therapieën ontwikkeld op basis van monoklonale antilichamen, met wisselend succes. „Uit die ervaringen blijkt dat je er vroeg bij moet zijn”, zegt Haagmans. „Als coronapatiënten klachten krijgen en die worden ernstig genoeg om in het ziekenhuis behandeld te worden zijn ze meestal al een week tot twee weken eerder besmet geraakt. Hun eigen lichaam is dan ook al bezig om afweerstoffen tegen het virus te maken en het is dan de vraag of het monoklonale antilichaam nog wel wat toevoegt.”

Preventief gebruik van dit middel ligt om die reden misschien meer voor de hand. Uiteindelijk zouden de monoklonale antilichamen ook geschikt kunnen zijn om mensen te beschermen die moeilijk te vaccineren zijn, denkt Haagmans. „Denk bijvoorbeeld aan ouderen in een verpleeghuis waar een uitbraak van het coronavirus is geconstateerd.”