De geruststelling van een halflekke reddingsboei

Gedichten met Deckwitz #9 Hoe lees je een gedicht? In deze serie helpt dichter en columnist Ellen Deckwitz je van je drempelvrees af. Haar laatste les: het gaat in poëzie niet alleen om begrijpen, maar ook om aanvoelen.

Illustratie Jenna Arts

 

En toen kwam de zomer en was het tijd voor het voorlopig laatste deel van deze reeks, en dat terwijl er nog zoveel vragen zijn. Keer op keer willen mijn neefjes, leerlingen en buren weten wat ze nou aanmoeten met gedichten. En keer op keer is daar, afhankelijk van wat je leest, een ander antwoord op mogelijk, wat samenhangt met hoe we naar ons eigen bestaan kijken.

Ons leven proberen we immers te begrijpen door het op te delen in eenheden, zoals dagen, maanden of jaren, maar ook in levensfases, relaties of ziektes. Ieder stukje proberen we te bevatten, wat er nou precies gebeurde, hoe het voelde, wat we ermee aanmoeten. Het mooie van poëzie is dat zij zich richt op die momentopnames, op die samenballingen van tijd, taal, ruimte en handeling. Ze brengt de vreemdheid daarvan in kaart zonder haar kapot te redeneren, zonder haar meteen af te willen ronden naar een geruststellende gemene deler.

Gedichten getuigen van onze dappere pogingen iets van onszelf en de wereld te maken.

Neem het gedicht ‘Veertien’ van de Amerikaanse dichteres Marie Howe, waarin een moeder naar haar tienerdochter kijkt en opeens beseft hoe die met het ouder worden steeds verder van haar verwijderd raakt: „Ze is nog steeds van mij – voor nog ongeveer een jaar,/ maar ze kijkt al langs me heen/ door de deur van het uitvaartcentrum/ naar waar de jongens zich hebben verzameld in hun zwarte pakken.” Het gaat op het eerste oog om het moment waarop je als ouder doorkrijgt dat je kinderen opgroeien en van je afdrijven. Maar ook over nog zoveel meer. Het weet grote thema’s als afscheid, dood en seks samen te ballen tot 36 woorden.

Poëzie draait, zoals alle geweldige kunst, om hoe het is om een mens te zijn. Om hoe verraderlijk de taal is, die halflekke reddingsboei die we telkens maar naar elkaar uitwerpen. Gedichten getuigen van onze dappere pogingen iets van onszelf en de wereld te maken. Hoe we proberen om te gaan met het bizarre idee dat we er zijn. Hoe we omgaan met de wetenschap dat we uit een kwetsbaar lijf bestaan, dat iedereen van wie je houdt sterfelijk is, dat ook jij ooit dood zal gaan. Gedichten kunnen helpen te relativeren, door te benoemen, te verrassen, te spelen. Zoals Drs. P, die voor zijn rouwadvertentie deze ollekebolleke schreef: „Even uw aandacht graag!/ Korte berichtgeving:/ Ondergenoemde/ Is niet meer in beeld –/ Wat hier (behalve voor/ Onbelangstellenden)/ Hartelijk groetend/ Wordt medegedeeld.” Het leven is geen drama omdat het eindigt met de dood, en gedichten helpen de boel dragelijk te houden.

Eenzelfde vorm van relativering vind ik in Alfred Schaffers gedicht ‘De heldere verlichting die zich doet gelden opdat ik niets te vrezen heb’, waarin wordt gesuggereerd dat er niet zo veel verschil is tussen ons en de oermens. Iedereen zoekt naar liefde, iedereen probeert aan de zwaartekracht te ontkomen en even te vergeten dat we er ooit niet meer zullen zijn. Daar heb je het bij de koffieautomaat op maandagochtend niet zo snel over, maar gedichten bieden een veilige plek om daarbij stil te staan. Zodat je weet dat je niet alleen bent.

En dat vind ik misschien wel het meest ontroerende aan poëzie. Het zijn berichten van de ene mens aan de andere, over dingen waar het in een gewoon gesprek niet zo snel over gaat. Een tekst van iemand die in hetzelfde schuitje zit als jij, die ook te pas en te onpas wordt geplaagd door woede, onterechte zelffelicitatie, geilheid en collega’s. Iemand die dingen op papier zet waarvoor er in het dagelijks leven soms geen plek is. Gedichten zijn een unieke vorm van communicatie, een plek voor ongemakkelijke waarheden, voor de ambiguïteit van de taal, waar het niet alleen om begrijpen gaat, maar ook om aanvoelen. Zodat je ziet wat er gebeurt wanneer je woorden voor iets anders inzet dan voor een gesprek op de vrijmibo of het bestellen van een zak friet. Gedichten kunnen ontroeren, vermaken, irriteren, maar bovenal laten ze zien dat, hoewel ons bestaan eindig is, de manieren waarop we naar dat bestaan kunnen kijken, dat níét zijn. Dat er altijd wel iets is wat je over het hoofd ziet, iets wat fascineert, geruststelt of juist de boel weer overhoop gooit. Dat, hoe beperkt wij en ons leven ook zijn, er via taal, net zoals in het gedicht van Schaffer, toch manieren zijn om telkens verder te kijken, om met kleine schokjes altijd weer even los te komen van de grond, en we met elke stap even lijken te vliegen, en het feit dat we beperkt zijn telkens weer eventjes weten te weerleggen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.