„De politie is zo zelfingenomen dat ze geen tegenspraak duldt”, zegt Anis Raiss

Foto Frank Ruiter

Interview

Anis Raiss: ‘Ik zie mijn zaak als een geschenk aan de politie’

Anis Raiss | Oud-agent Anis Raiss werd in 2016 onterecht en hardhandig gearresteerd door collega’s, die niet geloofden dat hij agent was. De politie zou excuses aanbieden, maar deed dat niet. De zaak komt dit jaar voor de rechter. Raiss is geen agent meer. „Ik wil niet op mijn knieën leven.”

Zie de politie als een boek, zegt oud-agent Anis Raiss (33). Blauwe kaft. Ondertitel: waakzaam en dienstbaar. Dat is hoe veel Nederlanders de politie kennen. Maar laat zijn verhaal dan ook een hoofdstuk in dat boek zijn. „Om te laten zien welke wereld er binnen de politie bestaat.”

Raiss zit aan een drukke kade in de Amsterdamse wijk de Pijp, de stad waar hij woont en ook werkte – tot hij vier jaar geleden hardhandig werd opgepakt door collega’s die niet geloofden dat hij een agent was. Met zijn ogen scant hij voorbijgangers, terwijl hij rustig doorpraat en soms naar woorden zoekt. Hij zegt dat hij zich voelt als Sisyphus, die elke dag een rotsblok de berg op moest duwen.

Lees ook Ombudsfunctionaris politie wil ‘urgentere’ aanpak discriminatie in eigen organisatie

Hij is op bezoek bij familie in Enschede, die avond van 27 mei 2016. Zijn vader en broertje hebben een afspraak op het politiebureau om aangifte van oplichting te doen. Raiss zet ze er af, hij gaat niet mee naar binnen. Na tien minuten wordt hij gebeld. De agenten willen de aangifte niet opnemen. Ze moeten het online doen. Kan hij ze weer ophalen?

Raiss begrijpt het niet. Zelf verwerkt hij wekelijks zulke aangiftes. Zijn broertje had toch al een afspraak ingepland? Hij loopt het bureau binnen. De twee agentes achter de balie willen hem niet te woord staan. Hij moet wachten, achter de streep. Als hij aan de beurt is willen ze niet helpen. Raiss zegt dat hij ook bij de Nationale Politie werkt. Hij kent de procedures, wil hij zeggen, maar zijn woorden werken averechts. „Wie doet hier alsof hij bij de politie werkt?”, zegt de brigadier die erbij wordt gehaald als hij binnen komt lopen. Raiss herinnert zich hoe de brigadier hem van top tot teen bekijkt en zegt: „Jij ziet er helemaal niet uit als een agent.” Of hij zich kan legitimeren? Raiss heeft geen legitimatie bij zich. Hij werkt zeker voor de VAT, zegt de brigadier, net als zijn vader. Zijn vader werkt inderdaad bij de VAT, vertelt Raiss aan de Amsterdamse kade. „Zo wordt de schoonmaakdienst van de politie in de regio genoemd.”

Nog een agent, een inspecteur. Hij beveelt Raiss hem mee te lopen naar een kamer. „Ik wil graag met jou praten”, zegt hij, „dat gaan we dáár doen”. Raiss wil wel praten, zegt hij, maar kan dat niet hier? „Dan ga ik je aanhouden. Linksom of rechtsom. Ik wil dáár met je praten”, zegt de inspecteur. „Wie ben je? Ik wil weten wie jij bent.” Raiss zegt dat hij „helemaal niets” bij zich heeft. Maar hij weet: „U mag niet iemand staande houden die geen verdachte is.”

De brigadier is er weer bij komen staan. „Pepperspray!”, schreeuwt hij. De agenten sleuren Raiss hardhandig mee, de politiecel in. Die avond wordt hij in een arrestantenbus naar het cellencomplex in Deventer gereden. Hij slaapt in de cel. Zijn pols is gekneusd, zijn kleren zijn gescheurd. Die stortvloed aan gedachten in zijn hoofd. „Gedachten die telkens als ik ze probeerde te begrijpen een andere vorm aannamen.” De volgende dag wordt hij als verdachte verhoord en laat de inspecteur van dienst hem gaan.

Lees ook: ‘Om politie is mijn zoon weg uit dit land’

Dit ruikt naar discriminatie, dacht Raiss meteen, en nadat hij de gebeurtenis een paar weken had laten bezinken wist hij het zeker. Zijn verhaal vertelde hij vier jaar geleden in NRC. Hij zei dat de agenten hem die avond alleen als Marokkaan zagen. „Wanneer ik als blonde jongen dat bureau was binnengelopen, dan was dit allemaal niet gebeurd.” Hij doet aangifte tegen de politiemedewerkers van het bureau in Enschede. Van belediging, bedreiging, mishandeling, vrijheidsberoving, misbruik van het ambt. De politie zegt „de kwestie zeer serieus te nemen”.

Hoe ging zijn verhaal verder?

Na de nacht in de cel wordt Raiss met verlof gestuurd. Zijn wapen en politiepas moet hij inleveren. Bureau Veiligheid Integriteit en Klachten onderzoekt zijn zaak. Twee weken later belt zijn leidinggevende. Ze hebben de beelden op het politiebureau bekeken. „Het valt allemaal wel mee!”, zegt ze opgewekt. Voor Raiss viel het niet mee, maar hij gaat weer aan het werk. „Ik was nog in ontkenning.”

‘Zo ziet de burger u ook’, staat er op de spiegel bij de kleedkamers op het politiebureau. Raiss kijkt er nog één keer in voor hij naar buiten stapt. Hij voelt een vlaag van misselijkheid door zijn lichaam schieten. Staat hij daar, „in het uniform dat me heeft geschoffeerd”. Hij barst in huilen uit. Zijn chef meldt hem ziek.

Raiss heeft het mediationtraject dat de politie daarna opperde echt wel overwogen. Maar het aanbod om met de agenten die hem oppakten om tafel te gaan vindt hij paradoxaal. Die dag werd niet geloofd dat hij óók een agent was. „En nu werd gedaan of we gewoon collega’s zijn die niet door één deur konden.”

Het tweede onderzoek naar de gebeurtenissen in Enschede verscheen zeven maanden na de arrestatie, in december. Het Openbaar Ministerie (OM) oordeelde dat er bij de arrestatie sprake was geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling. Tot vervolging ging het OM niet over, het betrof een interne politiezaak. De politie moest intern maatregelen nemen en deed dat ook. De Enschedese inspecteur die Raiss oppakte kreeg een berisping. Hij had zijn collega niet mogen arresteren toen bleek dat hij geen identiteitsbewijs bij zich had.

Maar de inspecteur is het niet met de berisping eens, hij vocht de beslissing aan. „Ik wil gewoon recht doen aan mijn kant van het verhaal en aan het werk van de politiemensen in Twente”, zei hij tegen dagblad Tubantia. Nadat een adviescommissie van de politie had geoordeeld dat er van plichtsverzuim toch geen sprake was geweest, trok voormalig korpschef Erik Akerboom de berisping in 2018 in.

Lees ook: ‘Jij ziet er helemaal niet uit als een politieman!

‘Dit gaat over jou!’

Voor een politieman is Amsterdam „het hol van de leeuw”, zegt Raiss. Hij werkt als hoofdagent in de Jordaan. Zijn specialisme: zware criminaliteit. Hij leert er ook dat de politie een andere kant heeft. Bij een lezing over criminaliteit tikt een Hollandse agent een collega met een Marokkaanse achtergrond aan. „Dit gaat over jou!”

Maar goed, zegt Raiss, nu geeft hij weer een voorbeeld van iemand met een Marokkaanse achtergrond, zijn verhaal moet over iets groters gaan. De sfeer bij de politie is op wel meer vlakken verrot. Een christelijke collega wordt net zo goed met een schuin oog aangekeken door zijn collega’s. „Achter zijn rug natuurlijk. Zo zijn ze ook wel weer.”

Het klinkt misschien cliché, zegt Raiss, maar de meeste agenten hebben „het hart op de juiste plaats”. Al is volgens hem een kleine groep bij de politie gaan werken vanuit een „diepe onderbewuste hunkering naar macht en gezag”. Dat zijn vaak de collega’s die omhoog klimmen in de organisatie, die de leiding krijgen. Agenten op straat maken er grapjes over. „In politiejargon zeggen ze: ‘Integriteit houdt op bij schaal 9.’”

Ken je de ‘gouden gang’, vraagt hij. Als agent was hij er nooit geweest, de gang op het hoofdbureau aan de Elandsgracht waar de Amsterdamse korpsleiding werkt. Maar in 2018 werd hij er uitgenodigd voor een voortgangsgesprek. „Alsof je in la belle époque terechtkomt.” Aan de andere kant van de tafel zitten een vertegenwoordiger en een advocaat van de politie. Raiss leest voor uit de aantekeningen die hij maakte van het gesprek. „Ik vroeg om een zeldzame en gemeende verontschuldiging van de politie die mijn gekwetste gevoelens kan doen kalmeren.” Een goed excuus, zegt hij, bestaat uit drie delen. „Eerst zeg je dat je verantwoordelijk bent. Daarna: dat het je spijt. Als laatste vraag je wat je kunt doen om het goed te maken”

Nog een vraag. „Weet je wat de blauwe muur van stilte is?”

Vier maanden na het gesprek in de gouden gang wordt de stilte doorbroken. Een mail. „De heer Raiss kan in de eerste helft van mei een excuusbrief van de politie tegemoet zien.”

Rais zegt dat hij zich voelde alsof „een grote hand” hem „vanuit een draaikolk van onrecht weer naar boven trok.”

Zijn behandelaar helpt hem de herinneringen aan die avond „naar het onderbewustzijn te verplaatsen”. Maar steeds weer blijkt dat niet genoeg. Het incident blijft zich in zijn hoofd opdringen. Zijn onderbewustzijn moet „helemaal worden schoongemaakt”. Maar dat lukt zo niet. „Dat kan pas als ik in een veilige omgeving verkeer. In plaats daarvan ben ik al jaren in gevecht met de politie.” Een excuus, zegt hij, is de volgende stap in zijn herstel, maar de brief komt maar niet. Hij begint te twijfelen. Zou hij de brief per ongeluk hebben weggegooid?

De politie heeft zich bedacht – dat mailt de advocaat weer twee weken later. Bij excuses zijn meerdere belangen gemoeid „die moeilijk verenigbaar zijn gebleken”. De politie zegt dat het „in feite vooral gaat om een botsing van verschillende karakters”.

Raiss zegt dat zijn zaak staat voor iets wat al veel langer bij de politie speelt en na zijn zaak doorging. „De politie is zo zelfingenomen dat ze geen tegenspraak duldt”, zegt hij. Hij noemt Leidse teamchef Fatima Aboulouafa, de klokkenluider die misstanden bij de Haagse politie aankaartte. Ze vertrok er in mei omdat, zei ze, de „de organisatie kritische mensen niet respecteert”. Raiss zegt: „Iedereen die de politie in de weg ligt wordt er langzaam verdreven.”

Vorige maand, vertelt hij, werd er nog een onderzoek naar zijn aanhouding en de gebeurtenissen daarop aangekondigd. Het onderzoek wordt opgestart op verzoek van de politiechefs van Amsterdam en Oost-Nederland. In het najaar moet het afgerond zijn.

Bij de politie, zegt Raiss, is een cultuurverandering nodig. Cultuur is, zegt hij, „hoe mensen met elkaar omgaan. Iets wat overgaat van generatie op generatie en langzaam verandert. Hoofdingrediënt van cultuur: communicatie. En de communicatie van de politie – onderling en naar de burger – is verziekt.” In de gepolariseerde samenleving, zegt hij, heeft de „verziekte communicatie bij de politie een giftige uitkomst. Maar het lijkt erop dat dat het gezicht van de politie geworden is.”

Waarom, vraagt hij zich af, noemde de politiechef hem in een persbericht ‘irritant’, terwijl het OM concludeerde dat hij juist „uiterst correct probeerde te blijven”? Waarom wordt zijn zaak op de Politieacademie gebruikt als voorbeeld van hoe het niet moet, maar wordt dan niet tegenover hem erkend dat het inderdaad anders had moeten gaan? Waarom zijn er nu alsnog helemaal geen maatregelen door de politie genomen, terwijl dat wel door het OM was opgelegd? Waarom kan de politie niet gewoon „een morele openbaring” krijgen? „De politie is vooral bezig hiermee weg te komen.”

Dat Raiss’ zaak nu toch nog door een rechter wordt behandeld komt, opmerkelijk genoeg, door de inspecteur die hem arresteerde. De inspecteur wil zijn naam zuiveren en is een artikel-12-procedure gestart, waarmee vervolging afgedwongen kan worden. De zaak wordt in oktober behandeld in de rechtbank van Zwolle.

De communicatie van de politie – onderling en naar de burger – is verziekt

Raiss’ carrière bij de politie is voorbij. Hij zit nog steeds ziek thuis. Het leven zonder dat je op hoeft te staan om naar je werk te vertrekken is ingewikkeld. „Ik wil niet op mijn knieën leven. Ik heb ervoor gekozen om op mijn benen te blijven staan”, zegt Raiss. Op goede dagen, waarop hij zich wel kan concentreren, leest hij veel. Hij zegt: „Ik hoef geen Kafka te lezen om te weten wat een kafkaësk bestaan is.” Filosofie helpt hem grip op zijn situatie te krijgen. „Ik hunker niet naar een heldenstatus. Ik zie mijn zaak als een geschenk aan de politie. Een gereedschapset waarmee de politie aan zichzelf kan beginnen te sleutelen.”