Opinie

Zorgverleners werken in een woestijn van drijfzand

Emma Bruns

Het is kwart over acht. De eerste patiënten die het spreekuur van de traumachirurg zullen bezoeken zitten al netjes op anderhalve meter te wachten. In de tl-verlichte kamer zonder ramen volg ik het stappenplan voor de nieuwe desinfectiemaatregelen en start mijn computer op. Na een kwartier reageert het ding nog steeds niet. Ellie, polidame maar vooral steun en toeverlaat in de communicatie met menig patiënt, deelt mee dat er een ziekenhuisbrede storing is die nog wel even kan duren. Ik staar naar het zwarte scherm, leun achterover en doe m’n ogen dicht. Ik waan me in een idyllisch dorp op een berg waar ik een oud boekwinkeltje beman en waar slechts een klant of drie per dag puur uit romantische nostalgie binnenwandelt.

Als ik niet in de zorg zou werken, zou ik ziekenhuizen mijden als de pest. Sterker nog, het overgrote deel van mijn collega’s probeert uit alle macht hun pijnlijke knieën, kotsende kinderen en vergeetachtige moeders ver verwijderd te houden van de medische molen. Niet zozeer omdat de zorg die we in Nederland leveren ondermaats is (we staan wereldwijd nota bene aan de top) maar omdat je over het algemeen verstrikt raakt in een kafkaësk doolhof waar zelfs über-pragmaticus en crisisheld minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) de weg zou kwijtraken.

Als je geneeskunde gaat studeren, vertelt helemaal niemand je dat je uiteindelijk in een woestijn van drijfzand zult werken. Al ben je de nieuwe Messi van de cardiothoracale chirurgie, het overgrote deel van je werkende bestaan bestaat uit het organiseren van niet-medisch inhoudelijke inefficiëntie. Het vaststellen van het klinische beeld van een appendicitis bij een achtjarig meisje op de spoedeisende hulp duurt ongeveer vijf minuten. Het daaropvolgende aantal digitale orders, registraties en andere zaken die ervoor moeten zorgen dat het meisje veilig geopereerd en pijnvrij het ziekenhuis verlaat, kan met een beetje pech oplopen tot uren.

De afgelopen maanden leken we als samenleving toch even het licht te zien. De zorg werd bestempeld tot een vitale sector. U gaf ons zelfs applaus en noemde ons helden. Maar net zoals we Marianne Vos niet op een oude Gazelle naar de Spelen sturen en we Ed Spanjaard niet laten optreden in een parkeergarage, geldt ook voor ons dat presteren in een suboptimale omgeving lastig is. Toch lijkt dat argument in de zorg niet stand te houden. Wanneer uw vader zijn been breekt, of uw moeder onwel wordt en zij pijn lijden en u zich zorgen maakt, worden de omstandigheden relatief.

De woekertarieven op de parkeerplaatsen van de meeste ziekenhuizen, de afwezigheid van daglicht in de wachtkamers waar u menig uur met een bakje slootwater zult doorbrengen, de ettelijke malen dat u hetzelfde verhaal, inclusief de naam en de geboortedatum van de patiënt, zult moeten herhalen, het aantal keer dat er sprake is van een misverstand waardoor het vertrouwen in dit systeem een barst oploopt; we nemen het voor lief.

Onder zorgverleners heerst een soort genoeglijk calvinisme waarin we accepteren dat we ongeacht de totaal belabberde omstandigheden streven naar een excellent resultaat. In het bedrijfsleven is procesoptimalisatie tot een hogere kunstvorm verheven. Als Shell of Unilever vandaag zouden beslissen dat alle kantoren alleen met elkaar per fax of dubieus ingescande pdf’s zouden kunnen communiceren, zouden ze miljoenen verlies lijden. Wij vinden het acceptabel dat er continu onnodig veel tijd en energie van de schaarse hoeveelheid handen aan het bed besteed wordt aan stroef verlopende processen. U kunt met één druk op de knop een pizza bestellen, een afspraak bij de kapper of een filmbezoek plannen, maar in de zorg is dat slechts een utopie.

Afgelopen weekend pleitte Hugo de Jonge voor meer centrale regie in de zorg. Maar wat betekent dat? In diezelfde week trokken meer dan duizend artsen wederom aan de bel met het manifest ‘Het roer moet nu om in de hele zorg’. En terecht: politici moeten inzien dat wij alleen topprestaties kunnen leveren als zij de omstandigheden daar ook naar inrichten.

Na tweeëneenhalf uur is de storing opgelost. De meeste mensen zijn naar huis en hen sta ik telefonisch te woord. Eén man is geduldig blijven zitten. Hij blijkt een oud-profwielrenner te zijn. Vier weken geleden viel hij tijdens een rondje met vrienden en brak hij zijn heup. Ik neem de tijd alsof hij één van de drie klanten is in mijn boekwinkel; het maakt nu toch niet meer uit.

Ik denk aan De Jonge, de pragmatische crisisleider die de daad bij het woord wil voegen. Of is het verkiezingspraat op zoek naar applaus? Centrale regie heeft op de werkvloer niet zoveel opgelost de laatste tijd. Misschien moeten we het eerst hebben over wat we belangrijk vinden.

Emma Bruns is arts-onderzoeker en chirurg in opleiding.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.